Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

kracht; en dus wezenlijk de heidensche leer-van het toeval vernieuwt. Min of meer in overeenstemming met Aristoteles, Epicurus, Cicero, de Sadduceën 1) en anderen, die het magna Dei curant, parva negligunt, tot leuze hadden, sprak Hieronymus eenmaal uit, dat Gods voorzienige zorg niet over alle kleine insecten zich uitstrekte 2). Het Pelagianisme schreef evenals Cicero 3) de deugd aan 's menschen eigen wil en kracht toe, en het semipelagianisme verdeelde den arbeid en schreef aan God en mensch beiden wat toe. Toen later dit systeem in de Roomsche theologie indrong, kwam er over Gods medewerking in de voorzienigheid een niet gering verschil; de Thomisten vatten haar op als eene praedeterminatio physica, eene applicatio ad operandum 4); de Molinisten daarentegen verstonden eronder een concursus simultaneus, mere cooperans, quo Deus cum alio concurrente in eundem actum et ef'fectum influit 5). Het Socinianisme stelde het oneindige en het eindige zoo abstract en dualistisch tegenover elkaar, dat G-od de wereld zelfs niet uit niets, maar alleen uit eene eeuwige en eindige materie kon scheppen; en dienovereenkomstig onttrok het ook een groot deel der wereld aan de voorzienigheid Gods en liet dit over aan het eigen inzicht en oordeel van den mensch. De wil is van nature ook zoo vrij, dat God zelfs van te voren niet zeker berekenen kan, wat een mensch in een gegeven geval doen zal; eerst als de beslissing gevallen is, richt God daarnaar zijn handelen in; de vrije oorzaken staan daarom geheel zelfstandig naast en buiten God. De verhouding van God tot de wereld is als die van een werkmeester tot de machine; nadat hij ze gemaakt en op gang heeft gebracht, laat hij ze aan zichzelve over en grijpt alleen in als er iets te herstellen valt 6). De Remonstranten waren evenzoo van oordeel, dat er in de creatie aan de schepselen krachten waren geschonken, waarop zij nu teren konden. De onderhouding was daarom eene negatieve daad Gods, waardoor Hij essentias, vires ac facultates rerum crea-

') Over de Sadduceën verg. men Schürer, Gesch. des jüd. Volkes II' 392 v. 2) Verg. boven bl. 187.

8) Cicero, de nat. deor. III 36.

') Thomas, S. Theol. I 2 qu. 9 art. 6 ad 3. qu. 79. 109. c. Gent. III 67—70. 162. ') Verg. Daalman, Summa S. Thomae II 286—314. Theol. Wirceb., I c. 2. Dens, Theol. I 66 v. Liberatore, Instit. philos. III c. 4 a. 1, 2. Scheeben, Dogm. II 22 v. Jansen, Prael. II 334.

Volkelius, de vera relig. II c. 7. Crell, de Deo et ejus attrib. c. 2 — 6. Fock, Der Socin. 496 v.

Sluiten