Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

torum non vult destruere sed eas vigori suo relinquere, quoad vigere ac durare possunt ex vi per creationem ipsis indita, of althans werd deze opvatting niet onjuist genoemd. In verband daarmede werd de concursus als eene naturalis quaedam influentia in res omnes ex naturae divinae perfectione emanens verworpen; de praedestinatie van het getal menschen, van de huwelijken, van het levenseinde, van de verkorenen en verlorenen bestreden; de vrije wil verdedigd en alle providentia efficax circa peccatum vervangen door eene negatieve permissio of non-impeditio 1). Het Arminianisme werd wel te Dordrecht veroordeeld en buiten de Gereformeerde erve geplaatst, maar vond als geestesrichting allerwege ingang en drong in alle Christelijke landen en kerken door. De periode, die met de helft der 17® eeuw een aanvang nam, kenmerkte zich door een machtig streven, om natuur, wereld, mensch, wetenschap enz. te emancipeeren van en zelfstandig te maken tegenover God, Christendom, kerk, theologie. Latitudinarisme, deïsme, rationalisme, piëtisme, Aufklarung enz. komen daarin met elkander overeen 2). Deze wereld is de best mogelijke, de mensch is met zijn verstand en wil zichzelf genoeg; natuurwet, natuurkracht, natuurrecht, natuurlijke religie, natuurlijke moraal maken saam een fonds van krachten uit, door God bij de schepping aan de wereld medegegeven en nu voor bestaan en ontwikkeling volkomen voldoende; openbaring, profetie, wonder, genade zijn geheel overbodig. Het deïsme ontkende het bestaan Gods niet, en ook de schepping en de voorzienigheid niet; integendeel, het sprak gaarne over het Opperwezen en hield breede vertoogen over de voorzienigheid. Maar de kracht uit dit geloof was weg. Het deïsme ontkende in principe, dat God in de schepping anders werkte dan naar en door de natuurlijke wetten en krachten; het was van huis uit antisupranaturalistisch. De conservatio was genoeg ; eene coöperatie of een influxus Dei bij iedere handeling van het schepsel was onnoodig 3).

In zijn 18e-eeuwschen vorm behoort dit deïsme nu wel tot

') Conf. Remonstr. c. 6. Apol. Conf. ib. Episcopius, Inst. Theol. IV sect. 4. Limborch, Theol. Christ. II 25 v.

2) Verg. over het deïsme Lechler, Gesch. des engl. Deismus 1841 en art. in PRE2. Troeltsch, art. in PRE3 IV 532—559. Piinjer, Gesch. d. christl. Rel. Philos. 1 209 v. Hanne, Die Idee der absol. Pers. II2 76 v. Pesch, Die grossen Weltrathsel II2 534 v. Doedes, Inl. tot de leer van God 80 v.

s) Reinhard, Dogm. § 61. Wegscheider, Inst. Theol. § 106.

Sluiten