Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Op. 19 :6. Zijn koninkrijk is het gansch heelal. Zijns is hemél en aarde, Ex. 19 : 5, Ps. 8: 2, 103 : 19, 148 :13. Hij bezit alle natiën, Ps. 82 : 8, regeert over de Heidenen, Ps. 22 : 29, 47 : 9, 96 :10r Jer. 10: 7, Mal. 1: 14, en is de Allerhoogste over de gansche aarde, Ps. 47 : 3, 8, 83 : 19, 97 : 9. Hij is Koning in eeuwigheid, Ps. 29 :10, 1 Tim. 1:17; geen tegenstand heeft iets tegenover Hem te beduiden, Ps. 93: 3, 4. Zijn koninkrijk komt zeker, Mt. 6 : 10, 1 Cor. 15: 24, Op. 12: 10; zijne heerlijkheid zal geopenbaard en zijn naam gevreesd worden van den opgang tot den ondergang der zon, Jes. 40:5, 59 :19 ; Hij zal Koning over de gansche aarde zijn, Zach. 14:9. Ook in deze regeering handelt God met ieder ding -jiaar zijn aard. Deus regit res, naturae ipsarum convenienter '). En daarom wordt die regeering Gods ook in de Schrift op verschillende wijzen voorgesteld en met verschillende namen genoemd. Door zijne regeering houdt Hij de wereld staande en bevestigt ze, zoodat zij niet wankelen zal, Ps. 93: 1 ; Hij beschikt het licht en de duisternis, Ps. 104:19, 20, gebiedt den regen en houdt hem in, Gen. 7:4, 8:2, Job 26:8, 38:22v., geeft rijm en sneeuw en ijs, Ps. 147 : 16, scheldt d. i. bestraft en stilt de zee, Nah. 1 : 4, Ps. 65:8, 107 :29, zendt vloek en verderf, Deut. 28: 15v.; alles doet zijn woord, Ps. 148:8. Even machtig en souverein regeert Hij in de wereld der redelijke schepselen, Hij regeert onder de Heidenen en bezit alle natiën, Ps. 22 :29, 82 :8, acht de volken minder dan niets en ijdelheid, Jes. 40:17, doet met de inwoners der aarde naar zijn welgevallen, Dan. 4: 35, en leidt aller hart en gedachte,. Spr. 21 :1.

En deze regeering Gods over zijne redelijke schepselen strekt zich niet alleen uit tot het goede, waarvan Hij beide in natuur en genade de Gever is, Jak. 1: 17, en ook niet alleen tot zijne gunstgenooten, die Hij verkiest, roept, bewaart, verzorgt en tot de eeuwige zaligheid leidt, maar strekt zich ook uit tot het kwade en tot degenen, die het kwade liefhebben en doen. Wel staat het vast door de gansche Schrift heen, dat God de zonde met zijn gansche wezen haat, Deut. 32:4, Ps. 5:5—7, Job 34:10, 1 Joh. 1 :5 enz.; en zijne regeering legt door het verbod der zonde in wet en conscientie, door haar oordeelen en gerichten daarvan een onwedersprekelijk getuigenis af. Maar desniettemin leert de gansche Schrift tevens, dat de zonde van het begin tot het einde onder

') Alsted, Theol. schol. 301.

Sluiten