Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zij aan het denken een rustpunt, dat de wijsbegeerte niet verschaffen kan. Want als deze het oorspronkelijke zijn opvat als eene inhoudlooze potentie, die niets is maar alles worden kan, redeneert zij buiten de werkelijkheid om en tracht ons met eene abstractie tevreden te stellen. Uit niets kan niets worden; als er geen zijn voorafgaat, kan er van een worden geene sprake zijn; en het kwade wordt eerst mogelijk, als het goede niet slechts ideëel, doch ook reëel de prioriteit bezit. De gevallen wereld, waarin wij leven, rust op de grondslagen eener schepping, welke zeer goed was, wijl zij voortkwam uit de handen Gods.

Maar lang heeft die wereld in hare oorspronkelijke goedheid niet bestaan. Nauwelijks was zij geschapen, of de zonde drong in haar binnen. Het mysterie van het zijn wordt nog onbegrijpelijker door het mysterie van het kwaad. Bijna op hetzelfde oogenblik, als de schepselen rein en heerlijk voortkomen uit de hand van hun Maker, worden zij van al hun glans beroofd en staan zij bedorven en onrein voor zijn heilig aangezicht. De zonde heeft de gansche schepping verwoest, haar gerechtigheid in schuld, haar heiligheid in onreinheid, haar heerlijkheid in schande, haar zaligheid in ellende, haar harmonie in wanorde, haar leven in dood, haar licht in duisternis verkeerd. Vanwaar dan dat kwaad, en wat is de oorsprong der zonde? De Schrift rechtvaardigt God, en geeft eene doorloopende theodicee, als zij uitspreekt en handhaaft, dat in geen geval God dé oorzaak der zonde is. Immers, Hij is rechtvaardig en heilig en verre van goddeloosheid, Deut. 32: 4, Job 34:10, Ps. 92:16, Jes. 6:3, Hab. 1 : 13, een licht zonder duisternis, 1 Joh. 1: 5, niemand verzoekende, Jak. 1:13, overvloedige fontein van alwat goed en rein en zuiver is, Ps. 36 :10, Jak. 1: 17; Hij verbiedt de zonde in zijn wet, Ex. 20, en in het geweten van iederen mensch, Rom. 2:14, 15, heeft geen lust aan goddeloosheid, Ps. 5:5, maar haat ze en toornt er tegen, Ps. 45 : 8, Rom. 1:18; Hij oordeelt en verzoent ze in Christus, Rom. 3:24—26, reinigt er zijn volk van door vergeving en heiligmaking, 1 Cor. 1: 30, en wil ze, in geval van voortgezette ongehoorzaamheid, beide tijdelijk en eeuwiglijk straften, Rom. 1 : 18, 2:8. Voor den oorsprong der zonde wijst de Schrift ons altijd naar het schepsel heen. Maar daarom is zij, ook in haar ontstaan, niet aan Gods bestuur onttrokken noch uitgesloten van zijn raad. Integendeel, het is God zelf, die volgens de bijzondere openbaring de mogelijkheid der zonde schiep. Niet alleen formeerde Hij den mensch zóó, dat hij vallen kon, maar Hij plantte ook den

Sluiten