Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gemengd is, en dat de mensclihoid en de wereld de buit is, om welke tusschen God en Satan, tusschen hemel en hel wordt gekampt.

Iieel de maclit der zonde hier op aarde staat in verband met een rijk der duisternis in de wereld der geesten. Ook daar heeft een val plaats gehad. Jezus zegt zelf in Joh. 8:44, dat de duivel een menschenmoorder is dn «o^c, d. i. van den aanvang van het bestaan der menschheid af, dat hij in de waarheid oiX éatrjxsv, zich niet gesteld heeft en dus niet staat, omdat er geen waarheid in hem is, en hij, leugen sprekende, èx tu>v Idioav spreekt. Evenzoo leert 1 Joh. 3:8, dat hij zondigt van den beginne ; in 1 Tim. 3: 6 waarschuwt Paulus den neophyt tegen opgeblazenheid, opdat hij niet valle tig xQt^icc rov diapoXov, in eenzelfde oordeel, als den duivel getroffen heeft; en Judas spreekt in vs. 6 van dyyeXovt tovg firj ■tr^rjaccvrccg Tïjv savtwv dqyr^v dXXa dnoXmovrccg 10 löiov oixr^giov, d.'i. van engelen, die hun beginsel, oorsprong, of ook heerschappij niet bewaard en de hun toegewezen woonplaats verlaten hebben. Er ligt hier duidelijk in opgesloten, dat vele engelen niet tevreden waren met den staat, waarin zij door God werden geplaatst. Hoogmoed heeft zich van hen meester gemaakt, om te streven naar een anderen, hoogeren stand. De zonde is het eerst uitgebroken in de wereld der geesten; zij is opgekomen in het hart van wezens, van wie wij slechts geringe kennis bezitten; onder verhoudingen, die ons zoo goed als geheel onbekend zijn. Dit is echter op grond der H. Schrift zeker, dat de zonde niet eerst op aarde maar in den hemel is aangevangen, aan den voet van Gods troon, in zijne onmiddellijke tegenwoordigheid, en dat de val der engelen heeft plaats gehad voor dien van den mensch. De Schrift zwijgt er over, of er verband bestaat tusschen dien val der engelen en de schepping van den mensch; zij zegt ook niet, wat de gevallen engelen dreef, om den mensch te verleiden. Maar om wat reden dan ook, Satan is u aaravag, o ntiouQun', ó óiafioXog van het menschelijk geslacht, dvü-QamoxTovog, Mt. 4:3, Joh. 8:44, Ef. 6:11, 1 Thess. 3.5, Tim. 2 : 26, ó öqccxmv ó fityag, ó óyig u dgxaiog, Op. 12 : 9,14, 15, 20:2. Zoo kwam hij tot Christus, den tweeden Adam; en zoo kwam hij ook tot den eersten mensch. Dat hij niet zelf rechtstreeks en persoonlijk tot hem kwam, maar zich bediende van eene slang, is wel daaruit te vêrklaren, dat hij beter hoopte te slagen, wanneer de verleiding geschiedde door een wezen, dat aan den mensch als goed bekend was. Zonder twijfel moet het spreken der slang aan de vrouw vreemd zijn voorgekomen, maar juist dit vreemde sterkte

Sluiten