Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

recht verdienstelijk te maken1). En zoo werd elders in de Heidenwereld de oorsprong der zonde niet in den wil van de redelijke schepselen, maar in het wezen der dingen gezocht. De val is onbekend. Het Confucianisme is een ondiep rationalisme en moralisme, dat den mensch voor van nature goed hield en in een deugdzaam leven, in overeenstemming met de wereldorde, den weg der zaligheid zocht 2). Volgens het Buddhismé' is het Atman of Brahman, de goddelijke substantie, het eenig reëele; de wereld der verschijnselen is maar een droom, heeft de illusie, Maya, tot principe, en is in voortdurende wording en verandering. Daarom is het lijden en de smart algemeen, want alles is aan de vergankelijkheid, aan geboorte, ouderdom, dood onderworpen; en de oorzaak van dat lijden is te zoeken in de begeerten, in de begeerte naar het zijn, in het willen zijn; verlossing bestaat dus in uitdooving van het bewustzijn of ook in vernietiging van het zijn, nirvana3). Het Parzisme leidde het kwaad terug tot een oorspronkelijk boozen geest, Ahriman, die tegenover den hoogsten God, Ahuramazda, staat, een eigen rijk der duisternis heeft, de schepping Gods verderft, maar aan Ahuramazda ondergeschikt is en eens voor hem zal onderdoen 4). De Grieken en Romeinen hebben wel in de sagen van eene aurea aetas, van Prometheus en Pandora iets, dat aan de Bijbelsche verhalen herinneren kan; maar zij kenden oorspronkelijk geen booze geesten, die tegenover de goede stonden, en schreven aan de goden allerlei booze begeerten en euveldaden toe. Het menschelijk geslacht was ook niet in eens gevallen, maar langzamerhand ontaard; en nog bezat des menschen wil de kracht, om deugdzaam te leven, binnen de perken zich te houden, en alzoo de zonde, die wezenlijk vflnig was, te overwinnen 5).

De philosophie nam gewoonlijk hetzelfde standpunt in. Volgens Socrates ligt de oorzaak en het wezen der zonde alleen in onkunde; niemand is vrijwillig boos, d. i. ongelukkig; wie dus goed weet, is goed en handelt goed; er is niets anders dan ontwikkeling van nöode, om den mensch, die van nature goed is, te brengen tot beoefening der deugd 6). Plato en Aristoteles zagen het ongenoegzame

') Weber, Syst. der altsyn. pal. Theol. 210 v. 242 v.

") Saussaye, Lehrbuch der Religionsgesch. I 249, 3° A. I 100 v.

3) II., I 411 v. 3e A. II 89 v.

') Ib., n 34 v. 3" A. II 199 y.

') Tb., II 191, 3e A. II 397.

e) Zeiler, Philos, der Griechen. 4e Aufl. II 141 v.

Sluiten