Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

leeft van de geboorte af in gezelschap met zijne moeder en staat onder haar gezag; de vrouw is onderworpen aan den man, de man is op zijne beurt lid van den stam, gehoorzaamheid verschuldigd aan het opperhoofd, onderworpen aan de regelen, die de samenleving, de arbeid, de strijd, de jacht, de visscherij aan den enkele stelt. In één woord, terwijl de primitieve mensch van huis uit niets dan dierlijke, zelfzuchtige lusten medebrengt, wordt hij van allen kant door de omgeving, waarin hij leeft, aan banden gelegd. Tegenover de egoïstische neigingen komen altruïstische plichten te staan. Plichten zijn dit eerst nog niet, want alle recht is uit macht, uit geweld ontstaan l). Maar langzamerhand wordt die macht, die van buiten tegenover den individueelen mensch komt te staan, geëthiseerd, en de mensch, die eerst tegen die macht in verzet kwam, gewent er zich aan, om onder haar te leven en zich naar haar te schikken ; hij gaat vanzelf en gewillig doen, wat hij eerst onwillig deed ; zelfs krijgt hij langzamerhand het bewustzijn, dat hij behoort te doen, wat de maatschappij van hem vraagt; er wordt in hem een zedelijk bewustzijn gevormd, de altruïstische eischen krijgen voor hem het karakter van zedelijke plichten, later zelfs van goddelijke geboden ; en dan nadert de tijd, waarin het zedelijk leven geboren wordt, de tegenstelling en strijd tusschen goed en kwaad een aanvang neemt, de zonde en de zondeval mogelijk wordt.

De zelfzuchtige neigingen en lusten, welke de mensch krachtens zijn dierlijken oorsprong medebrengt, zijn natuurlijk op zichzelve nog geene zonde ; want als er geene wet is, is er geene overtreding, en zonder de wet leefde de mensch in zijne eerste periode. Maar toen uit de maatschappij de wet tot zijn bewustzijn kwam, toen ontstond ook de mogelijkheid, dat hij al dan niet aan die wet zich onderwierp. Naar de idee genomen, was het nu de wil Grods geweest, dat de mensch zich normaal, overeenkomstig de toenmaals geldende normen van het zedelijke leven, ontwikkeld zou hebben; en zelts wordt door sommigen gezegd, dat met het zedelijk bewustzijn in den mensch ook een vrije wil ontstond, waardoor hij zijne zelftucht overwinnen en de altruïstische neigingen opvolgen kon. Maar indien dit in het afgetrokkene al mogelijk ware, in de werkelijkheid svas het toch hoogst moeilijk. In ieder geval, de mensch heeft van ien beginne af aan en telkens weer zijne zelfzucht doen triumfeeren )ver de hem gegeven zedelijke wet; zijne ontwikkeling is niet

') Ostwald, t. a. p. bl. 137.

Sluiten