Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

die eigenlijk geene realiteit heeft, maar alleen in onze gedaclite bestaat. Bonum et malum quod attinet, nihil etiam positivum in rebus, in se consideratis, indicant, nee aliud sunt praeter cogitandi modos seu notiones, quas formanus ex eo, quod res ad invicem comparamus 1). Ten vierde moet op dit standpunt God de auteur der zonde worden. Het Parzisme en Manicheïsme deinsde hiervoor nog terug, stelde het rijk des lichts en het rijk der duisternis lijnrecht tegenover elkaar en plaatste aan het hoofd van beide een eeuwig, Goddelijk wezen. De God der natuur is een gansch andere dan de God van het goede, de zedelijke macht, die in het geweten zich gelden laat "). Maar de gnostische philosophie en theosophie nam de tegenstellingen in het ééne Absolute op. God zelf moet, om persoon, geest te worden, eene donkere natuur in zich dragen en eeuwig overwinnen. Zelf komt Hij door een strijd, een proces, hetzij dan voor en buiten of in en door de wereld heen, tot zijn Goddelijk bestaan. An sich is Hij flvï/og dyvwarog, donkere natuur, blinde wil en als zoodanig de Schepper der materie. Damit das Böse nicht ware, miisste Gott selbst nicht seyn 3).

Hiertegen nu getuigt niet alleen de H. Schrift, maar komt ook het zedelijk besef bij alle menschen in verzet. De zonde moge zijn wat ze wil, maar dit ééne staat vast, dat God de Rechtvaardige en de Heilige is, die in zijne wet haar verbiedt, in het geweten tegen haar getuigt, in straffen en oordeelen haar bezoekt. De zonde is niet redelijk en niet wettelijk, zij is avofua; zij is niet voor het bestaan der schepselen, zij is veel minder voor het bestaan Gods noodzakelijk. Het goede is noodzakelijk, opdat zelfs het kwade er zou kunnen wezen, maar het goede heeft niet het kwade, de heiligheid heeft niet de zonde, de waarheid niet de leugen, God heeft Satan niet van noode. Als desniettemin de zonde toch menigmaal dient," om het goede tot meerdere openbaring te brengen en Gods deugden te verheerlijken, dan geschiedt dit niet met en door maar tegen haar wil, door de wijsheid en de almacht Gods. Tegen haar natuur in wordt dan de zonde gedwongen, om aan de eere Gods en aan de komst van zijn koninkrijk dienstbaar te zijn. Zoo be-

) Spinoza, Eth. praef. ef. Ep. 32 en 34. Cog. metaph. I 6, 7, en voorts Hegel, Werke VIII 180 v. Strausz, Gl. II 365-384. Schleiermacher, Chr. Gl. § 81. Paul sen, Syst. d. Ethik I. 551 v. Scholten, L. H. K. II 34 v. 422. 580.

2) Deze gedachte keert menigmaal in de nieuwere theologie en philosophie terug, verg. deel I 598. II 166 en ook mijne Wijsbeg. van de Openbaring bl. 178 v.

8) Schelling, Werke I 7 bl. 403.

Sluiten