Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dat er in de liitte van den strijd door de Gereformeerden soms dicta duriora zijn gebruikt1), en Roomschen 2), Socinianen 3), Remonstranten 4) en Lutherschen5) lieten niet na er gebruik van te maken, en altijd opnieuw de Gereformeerden te beschuldigen, dat zij God tot auteur der zonde maakten. Maar vooreerst zijn die dicta duriora alle nog zachter, dan die, welke soms in de H. Schrift voorkomen, b.v. Ex. 7 : 3, 2 Sam. 16 :10, 24 : 1, Mal. 1 : 3, Luk. 2:34, Rom. 9 : 17, 18, 2 Thess. 2 : 11 enz.; voorts zijn al dergelijke harde uitdrukkingen ten allen tijde door de Judaïsten aan Paulus, door de Pelagianen aan Augustinus, door Hincmar aan Gottschalk, dooide Jezuiten aan de Jansenisten ten laste gelegd; vervolgens zijn zo door de Gereformeerden in hunne confessies steeds vermeden; Maccovius werd er op de Dordsche Synode over onderhouden 6); alverder zijn ze door de meeste Gereformeerde theologen vermeden of ook toegelicht en verklaard 7); en eindelijk wordt hun beteekenis en bedoeling voor ieder, die ze verstaan wil, uit het verband met heel de Gereformeerde leer volkomen doorzichtig. De zaak is eenvoudig deze, dat de permissio, in negatieven zin opgevat, bij het vraagstuk van Gods verhouding tot de zonde niet de minste oplossing biedt; het bezwaar, dat God haar auteur is, volstrekt niet uit den weg ruimt; en feitelijk heel de zonde aan Gods voorzienig bestuur onttrekt. Immers wie een kwaad verhinderen kan en het toch stil toeziende laat gebeuren, staat even schuldig als wie het kwaad zelf bedrijft 8). Bovendien, ook al heeft God de zonde enkel en alleen toegelaten, er moet toch eene reden zijn, waarom Hij ze niet heeft willen verhinderen. Die reden kan bij God niet liggen in een gebrek aan kennis of macht; zoo moet ze dan liggen in zijn wil. Dus is de permissio dan toch weer eene daad van zijn wil; Hij heeft ze

') Bijv. Calvijn, Inst. III 23. 7. Beza, Traet. theol. I 319. 360. 401. Zanchius, Op. V 2. Verg. ook deel II 378.

a) Bellarminus, de amiss. gr. et statu pecc. II c. 3 v. Petavius, de Deo VI e 5. X c. 8. Möhlcr, Syrnb. § 2—4.

3) Catech. Racov. X 16.

') Apol. Oonf. c. 2 en 6. Episcopius, Op. I 375 v.

') Gerhard, Loei Theol. VI c. 10. Quenstedt, Theol. II 97.

") Verg. deel II 378.

') Voetius, Disp. I 1119—1137. Maresius, Syst. Theol. IV 18. Turretinus, Theol. El. VI qu. 7. 8. Trigland, Kerk. Gesch. IV 673 v. V 694. Id., Antapologia c. 8—10. Chamier, Panstr. Cath. II lib. 3- Moor, Comm, II 487 enz.

8) Beza, Tract. theol. I, 315.

Sluiten