Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

nabijheid van het koninkrijk der hemelen aankondigt, eischt hij van de Joden, dat zij zich bekeeren en laten doopen, want besnijdenis, offeranden, wetsonderhouding hebben aan het volk van Israël niet die gerechtigheid kunnen schenken, welke het voor den ingang in het koninkrijk behoeft. Met dezelfde prediking van het koninkrijk Gods trad Christus op, en ook Hij getuigt, dat alleen wedergeboorte, geloof en bekeering den toegang tot dat koninkrijk ontsluiten, Mk. 1 : 15, 6 : 12, Joh. 3 : 8, 5. Wel spreekt Hij van gezonden en rechtvaardigen, Mt. 9 :12, 13, Mk. 2 : 17, Luk. 5 : 31, 32, maar Hij spreekt zoo, zonder over den aard dier gezondheid en rechtvaardigheid een oordeel te vellen, objectief, naar de meening dergenen, die Hij beschrijft. Hoe Hij zelf over die gerechtigheid denkt, blijkt uit andere plaatsen genoegzaam; terwijl Hij de vermoeiden en beladenen, de tollenaren en zondaren tot zich roept en hun zijne rust belooft, zegt Hij van de Farizeën, dat hunne gerechtigheid onvoldoende is, Mt. 5 : 20, Luk. 18 : 14, en dat hoeren en tollenaars zullen voorgaan in het koninkrijk der hemelen, Mt. 8 : 11, 21 : 31. Evenzoo leeren de apostelen, dat alle menschen zondaren zijn en dat allen behoefte hebben aan de vergevende liefde des Vaders, aan de verlossing door Christus, aan de vernieuwing des H. Geestes, Hand. 2 : 38, 5 : 31, 10 : 43 enz.; de apostel Paulus begint zijn brief aan de Romeinen zelfs met een breedvoerig betoog, dat de gansche wereld voor God verdoemelijk is, en dat daarom geen vleesch uit de werken der wet gerechtvaardigd zal worden, Rom. 3 : 19, 20, verg. 5 :12, 11: 32, 2 Cor. 5 : 19, Gal. 3:22, 1 Joh. 1:8, 5:19. Zelfs het woord wereld krijgt door deze algemeene zondigheid in de Schrift eene ongunstige beteekenis. Ofschoon oorspronkelijk door God geschapen, Joh. 1: 3, Col. 1:16, Hebr. 1:2, is zij toch zoo door de zonde bedorven, dat zij als eene vijandige macht tegen God overstaat. Zij kent het Woord niet, waaraan zij haar bestaan heeft te danken, Joh. 1:10, ligt geheel in heit booze, 1 Joh. 5 : 19, staat onder Satan als haar overste, Joh. 14 : 30, 16 : 11, en gaat eens met al hare begeerlijkheid voorbij, 1 Joh. 2 : 16.

Voorts is naar de Schrift de zonde den mensch eigen van de jeugd, van de geboorte, zelfs van de ontvangenis afaan, Gen. 6 : 5, 8 : 21, Job 14 : 4, 13 : 26, Ps. 25 : 7, 51: 7, 58 : 4, 103 :14, Jes. 43 : 27, 48 : 8, 57 : 3, Ezech. 16 : 3, Hos. 5 : 7, Joh. 3 : 6, Rom. 7 : 7v., Ef. 2 : 3. David gaat in zijne schuldbelijdenis tot den diepsten grond zijner zondigheid terug, vindt die in de zonden zijner ouders en verklaart

Sluiten