Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zijn begeerte, genegenheid en wil strekt zich uit naar het verbodene en is machteloos ten goede, Jer. 13 : 23, Joh. 8 : 34, 36, Rom. 6 :17, 8: 7, 2 Cor. 3 : 5; en het lichaam, met al zijne leden, oogen, Deut. 29 : 4 Ps. 18 : 28, Jes. 35 : 5, 42 : 7, 2 Petr. 2 : 14, 1 Joh. 2 : 16, ooren,

Deut. 29 : 4, Ps. 115 : 6, 135 :17, Jes. 6 :10, Jer. 5 : 21, Zach. 7 :11,

voeten, Ps. 38 : 17, Spr. 1:16, 4 : 27, 6 :18, Jes. 59 : 7, Rom. 3 : 15,

mond en tong, Job 27 : 4, Ps. 17 : 10, 12 : 4, 15 : 3, Jer. 9:3, 5, Rom. 3 :14, Joh. 3 : 5—8 enz. staat in den dienst der ongerechtigheid.

In één woord, de zonde zit niet aan en om, maar in den mensch en breidt over den ganschen mensch en over heel de menschheid zich uit t).

Van de plaatsen, die voor het tegenovergestelde gevoelen worden aangehaald, behoeft alleen Rom. 7 : 7—26 eenige nadere bespreking. Ten allen tijde hebben de Pelagianen zich op deze pericoop beroepen ten bewijze, dat de vovg of het nvsv^a in den mensch vrij van zonde is gebleven en deze alleen zetelt in de rtuo§ ~ in den nieuweren tijd is deze exegese bijna algemeen aangenomen. Augustinus echter in zijne latere periode en al zijne volgelingen zoowel in de Roomsche als in de Protestantsche kerken, hebben steeds deze uitlegging verworpen en de verzen 14—25 verstaan, als door Paulus als wedergeborene en aangaande het heden gesproken, eene verklaring, die tegenwoordig nog voorgestaan wordt door Delitzsch, Philippi, Luthardt, Harless, Thomasius, Umbreit, Kohlbrugge en anderen2). De laatste exegese verdient om verschillende redenen de voorkeur. 1° Paulus betoogt in Rom. 7 : 7—26, dat de wet, van welke de geloovige, door gestorven te zijn met Christus, ontslagen is, zelve ,

niet zondig is. En dat doet hij door aan te wijzen, dat zij den geloovige eerst tot kennis van zijne zonde en zijn dood gebracht heeft, 7—13, en dat zij nu nog de instemming heeft van zijnen inwendigen mensch, al is het ook, dat zijn vleesch zich tegen haar verzet, 14—26. In dit verband is het betoog, dat de wet nu nog de instemming van den geloovige heeft, al is hij ook van haar ontslagen, noodzakelijk. Want voor de stelling, dat de wet zelve heilig is, is het niet genoeg, dat de onwedergeborene, maar is het juist noodzakelijk, dat de wedergeborene haar goedkeurt. En zoo

') Schultz, Altt. Tlieol.' 670 v.

") Tholuck, Romer5 1856 bl. 333—369. M. B. Engel, Der Kampf um Römer Kap. 7. Gotha 1902. Over Kohlbrugge zie men: J. van Lonkhuizen, H. F. Kohlbrugge en zijn prediking 1905 bl. 363 v.

Geref. Dogmatiek III. p;

Sluiten