Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

71

zij ook allen als zondaren uit hem voort en zijn zij allen aan den dood onderworpen 1).

319. Op deze gegevens der Schrift werd in de Christelijke kerk de leer der erfzonde gebouwd. Van den beginne aan werd een zekere samenhang erkend tusschen Adams zondeen die zijner nakomelingen2). In zooverre is de bewering, dat de leer der erfzonde eene uitvinding van Augustinus is, geheel onjuist, en kon deze zelf getuigen: non ego finxi peccatum originale, quod catholica fides credit antiquitus s). Maar toch is het waar, dat de theologie in den eersten tijd, vooral in het Oosten, den nadruk veel meer tegenover het Gnosticisme legde op den vrijen wil en de persoonlijke, dadelijke zonde dan op de erfzonde uit Adam ; en waar erkend wordt, dat een malum animae ex originis vitio antecedit 4), wordt toch het wezen dier erfzonde niet nader bepaald en de wijze harer verbreiding niet dieper ingedacht. Pelagius kon zich daarom met eenigen schijn van recht op vele voorgangers beroepen, maar hij ging toch veel verder dan zij, leerde iets wezenlijk anders en ontkende de erfzonde. Volgens Pelagius bestond het beeld Gods alleen in de vrije persoonlijkheid, niet in positieve heiligheid, onsterfelijkheid enz. De overtreding van Adam heeft dat beeld Gods niet aan den mensch ontnomen en feitelijk in het geheel geene nadeelige gevolgen gehad. Er is geene erfzonde. Alleen in zoover heeft Adams overtreding aan zijne nakomelingen schade gedaan, als zij een kwaad voorbeeld stelde, dat, door anderen gevolgd, de zonde tot eene macht in de menschheid maakte. Overerving van zonde is eene manicheesche dwaling; zonde is geen toestand maar eene daad, en draagt altijd een persoonlijk karakter; het zou met Gods rechtvaardigheid in strijd zijn, om ons vreemde zonden toe te rekenen ; ook zou de voortplanting in het huwelijk ongeoorloofd zijn, als de overerving der zonde in dien weg plaats greep ; bovendien kunnen gedoopte ouders de zonde niet meer voortplanten,

') Moor, Comm. III 255. Turretinus, Theol. El. IX 9. Ontwerp van het Ex. v. Tol. X 373. Dietzsch, Adam und Christus. Bonn 1871. Hilnefeld, Eömer 5 :12— 21. Leipzig 1895. Hofmann, Schriftbeweis I 524 v. Pfleiderer, Der Paulinismus2 1890 bl. 53. Clemen, t. a. p. bl. 52 y. enz. Gerretsen, t. a. p. bl. 68, 78.

') Zie vele citaten bij Vossius, Hist Pelag. bl. 134 v„ en voorts Wiggers, Aug. und. Pelag. I 403 v. Münscher- von Coelln, D. G. I. 343. 353. Scliwane, I). G. II 439. Harnack, D. G. III 38. 151.

') Augustinus, de nupt. II 12.

*) Tertullianus, de anima 41.

Sluiten