Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dat hij het traducianisme van Tertulliamis niet aanvaardt, en dat hij telkens zoo sterk mogelijk uitspreekt, dat allen in Adam waren en in hem zondigden; omnes ille unus homo fuerunt, omnes fuimus in illo uno '). De erfzonde is daarin van dadelijke zonden onderscheiden, dat zij niet persoonlijk door ons bedreven werd; maar zij is toch zonde, wijl zij in zekeren zin weer onze daad was. Zij is beide, eene vreemde en eene eigene zonde; aliona enim (sunt peccata originalia), quia non ea in sua vita quisque commisit; nostra vero, quia fuit Adam et in illo fuimus omnes 2); zij is zelfs een peccatum voluntarium, quia ex primi hominis mala voluntate contractum, factum est quodam modo haereditarium3). De zondige toestand, waarin wij ontvangen en geboren worden, is een gevolg en straf van onze overtreding in Adam; God straft menigmaal zonde met zonde 4). Deze erfzonde bestaat feitelijk in de concupiscentia. Soms neemt Augustinus dit woord in ruimen zin en zegt hij, dat de overgeërfde zondigheid niet alleen in den geslachtslust zetelt, maar in quocunque corporis sensu cognosci; dat de carnalis concupiscentia ook in de ziel haar zetel heeft, dat de erfzonde geene substantie is maar een affectionalis qualitas, een vitium, languor, morbus, substantiae accidens5). Maar toch denkt hij bij de concupiscentia allereerst aan den geslachtslust; in den zelfstandigen, van den wil onafhankelijken motus genitalium komt vooral de verdorvenheid der natuur uit, en de schaamte strekt daarvoor ten bewijze; door den geslachtsdrift plant dan ook de zonde zich voort en maakt heel de menschheid tot eene massa corrupta, die onderworpen is aan de misera necessitas non posse non peccandi6). Deze concupiscentia heet beter peccatum originale quam naturale, wijl zij niet van G-oddelijken, maar van menschelijken oorsprong is; zij is zonde, quia peccato facta est appetitque peccare, en maakt den mensch originaliter reum 7). Ongedoopt stervende kinderen gaan om haar

') De pecc. mer. et. rem. 1 10. de civ. XIII 14.

s) Op. imp. c. Jul. III 25. I 48—57.

s) Retract. I 13. c. Jul. III 5. de nupt. et. conc. II 28.

4) Op. imp. c. Jul. I 47. VI 17. c. Jul. V 3. de nat. et gr. 22, "Verg. B. B. Warfield, Two studies in the history of doctrine bl. 128.

•) Op. imp. c. Jul. IV 28. V 7. VI 7. de nupt. et conc. I 24. 25 II 34. Conf. VII 12 enz.

'•) Zoo telkens in zijn geschrift de nupt. et conc. Verg. Harnack, D. G. III 190 v. Wiggers, Aug. und Pelag. I 107 v.

') Op. imp. c. Jul. I 71. V. 9. c. Jul. VI 5.

Sluiten