Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

verder nadenken moest over deze laatste weer verschil ontstaan.

Immers, het beeld Gods werd allengs opgevat als een donum supernatnrale; er was dus ook een menseh denkbaar en bestaanbaar zonder dat beeld en toch zonder zonde, een homo naturalis; in zulk een mensch zouden echter vleesch en geest toch uiteraard tegenover elkander staan en met elkander strijd voeren; d. i. de concupiscentia, de begeerlijkheid van het vleesch tegen den geest, is van nature, noodzakelijk, door schepping eigen aan den mensch en kan dus op zichzelf geene zonde zijn. Het beeld Gods was nu wel aan Adam geschonken tot een remedium en frenum, maar toen hij dit verloor, kwam de strijd van vleesch en geest vanzelf weer op; deze lag in zijne natuur, was wel onderdrukt, maar werd nu weer vrij. De concupiscentia is een morbus seu languor naturae humanae, qui ex conditione materiae oriebatur x); zij kan op zichzelf geene zonde zijn, en dus ook geen deel uitmaken van de erfzonde. De Roomsche leer van het donum superadditum wreekt zich hier op bedenkelijke wijze bij de erfzonde. Het is historisch aan te wijzen, hoe daarom allengs in de Roomsche theologie het zwaartepunt in de leer der erfzonde uit de concupiscentia in de privatio justitiae originalis, uit het positieve in het negatieve is verlegd. Augustinus omschreef heel de erfzonde door concupiscentia ; de scholastici namen daarbij op het verlies der oorspronkelijke gerechtigheid, maar handhaafden toch nog de erfzonde in positieven zin als eene inordinata dispositio, languor naturae, habitus corruptus 2). Trente liet zich zeer voorzichtig uit; het zegt, dat Adam niet alleen de gerechtigheid verloren heeft, maar ook naar lichaam en ziel in deterius veranderd is ; dat hij, nadat hij verontreinigd was, niet alleen den dood en de straffen des lichaams, maar ook vooral de zonde over zijne nakomelingen heeft uitgestort; dat de zonde van Adam niet door navolging, maar door voortplanting aan ieder eigen is, inest unicuique proprium, en alleen door Christus' verdienste in den doop kan worden weggenomen 3). Maar de Synode onthield zich met opzet van engere bepalingen 4), de aard dezer zonde werd niet nader omschreven; de woorden in deterius zeggen weinig ; de concupiscentia, die in de gedoopten overblijft, is zelve geene zonde, maar is alleen ex

') Verg. deel II 586.

2) Thomas, S. Theol. II 1 qu. 82 art. 1. 8) Conc. Trid. sess. V. VI.

4) Möhler, Syrnb. 57.

Sluiten