Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

peccato et ad peccatum inclinat,, de vrije wil is niet verloren maar Verzwakt, en kan ook vóór het geloof goede werken doen. Alles saamgenomen, is niet in te zien, waarin, afgezien van de toerekening van Adams overtreding en het verlies van de oorsponkelijke gerechtigheid, de erfzonde verder nog zou kunnen bestaan. Er blijft niets voor haar over.

Na Trente werd dan ook uitdrukkelijk de meening van Lombardus bestreden, later nog omhelsd door Henricus, Gregorius Arim., Driedo, dat de erfzonde formaliter of materialiter in concupiscentia, in eene positieve qualitas zou bestaan*). Met beroep op Thomas, Bonaventura, Scotus enz. werd de erfzonde alleen gesteld in het verlies der justitia originalis; Bellarminus sprak het open en duidelijk uit: non magis differt status hominis post lapsum Adae a statu ejusdem in puris naturalibus, quam differat spoliatus a nudo, neque deterior est humana natura, si culpam originalem detrahas, neque magis infirmitate et ignorantia laborat, quam esset et laborasset in puris naturalibus condita. Proinde corruptio naturae non ex alicujus doni naturalis carentia neque ex alicujus malae qualitatis accessu sed ex sola doni supernaturalis ob Adae peccatum amissione profluxit2). De toestand, waarin de mensch na den val geboren wordt, is volkomen gelijk aan dien van Adam vóór den val zonder het donum snpperadditum. Van eene corruptio of vulneratio naturae kan er alleen in zoover gesproken worden, als deze toestand er niet behoorde te zijn, wijl Adam het donum superadditum ontving en dat verloor; het verlies ervan is schuld. Maar zakelijk is die toestand niet verkeerd, hij is nackte Natürlichkeit; de erfzonde bestaat in niets anders dan reductio ad statum mere naturalem; supernaturalia amissa, naturalia integra; in den doop wordt dit verlies door de gratia infusa hersteld; na den dood wordt de erfzonde alleen met poena damni gestraft. Sommigen trachten nog wel eene corruptio naturae vast te houden, maar de supranaturalistische opvatting van het Christendom maakt dit onmogelijk s). Alleen is er nog verschil over, of de toerekening van Adams zonde, die het verlies van het donum

') Bellarminus, de amiss. gr. et statu pecc. Y 15. Becanus, Theol. schol, de pecc. orig. qu. 3. 4. Theol. Wirceb. VII 84—94. Verg. ook J. H. Busch, Das Wesen der Erbsünde nach Bellarmin und Suarez. Paderborn 1909.

s) Bellarminus, de gratia primi hominis 5.

*) Bajus en Jansenius beproefden wel aan eene strengere opvatting van de ■erfzonde ingang te verschaffen, maar hunne stellingen werden door Rome verworpen, H. Denzinger, Enchir. Symb. et defin. n. 881 v. 966 v.

Sluiten