Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

van ouders op kinderen en kindskinderen overgaan en in geslachten voortbestaan, dat was, alleen reeds blijkens de leer van het traducianisme, ook vroeger bekend. En dat toch ook weer niet alle eigenschappen overerven, dat elk individu nog iets anders en meer is dan de som of het product van zijne ouders, ook dat was, zooals de leer van het creatianisme bewijst, ook voor vorige geslachten geene verborgenheid. Maar men bezag al deze feiten toen nog niet in het licht van eene materialistische of pantheïstische wereldbeschouwing; men maakte ze toen nog niet dienstbaar aan eene vooropgezette evolutieleer; en bovenal, men misbruikte ze nog niet in litteratuur en drama, om den mensch als een willoos product van zijne afkomst en omgeving, als een speelbal in de handen van hot toeval of het noodlot voor te stellen, en hem zoo van alle zedelijke energie, van allen levensmoed en allen levenslust te berooven. Dit alles is eerst in de negentiende eeuw geschied. Toen de overerving door de mannen der wetenschap als eene onveranderlijke wet en als een onontkoombaar feit werd afgekondigd, toen stonden tal van moralisten, auteurs en criminologen gereed, om de conclusie te trekken, dat de mensch in denzelfden zin een natuurproduct is als plant en dier, dat zijne zelfstandigheid en vrijheid een waan is, dat hij met noodwendigheid moet -wezen datgene wat hij is. Gelukkig is tegen deze valsche en gevaarlijke conclusiën eene reactie ingetreden ; als de wetenschap haar onderzoek voortzet, corrigeert zij altijd zichzelve weer. Ze heeft het ook in dit geval gedaan, en dat op goede gronden.

Want 1°. de feiten, waarop de leer der overerving is gebouwd, bestaan alle daarin, dat vele eigenschappen, die de ouders onderscheiden, ook in de kinderen en kindskinderen worden terug gevonden. Daartoe behooren lichamelijke eigenschappen, zooals bouw van het lichaam, houding en manieren, kleur van het haar, vorming der ledematen, zwakte of scherpte der zintuigen, deformiteiten (polydaktylie, albinisme enz.) Maar ook tal van geestelijke eigenschappen gaan van ouders op kinderen over; zwakheid of sterkte van geheugen, van verstand en oordeel, van gevoel en wil, eigenschappen van het humeur, het temperament, het karakter, aanleg, instincten, neigingen, geschiktheden. Onder al deze eigenschappen zijn er goede, die een zegen voor de kinderen zijn, gaven van verstand en hart, zachtzinnigheid, medelijden, gevoel, opgeruimdheid, zin voor orde, kunstvaardigheid; maar dikwerf zijn het ook booze neigingen en hartstochten, zooals leugenachtigheid, gierigheid, hebzucht,

Sluiten