Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

van zijn vrijheid, voor zijne daden verantwoordelijk. Behalve eene physische is er dus eene psychische; behalve eene mechanische, eene energetische; behalve eene causale, eene teleologische causaliteit. Meer en meer wordt dit thans weer erkend; en daarmede blijft de zeltstandigheid, de soortelijke eigenaardigheid, de bijzondere wetmatigheid van de zedelijke wereldorde gehandhaafd 1).

8°. Wijl er ook in deze zedelijke wereld geen toeval noch noodlot, maar wijze, heilige wetmatigheid heerscht, daarom ontkennen wij ook de feiten der erfelijkheid niet, noch ook haar uitgebreide heerschappij. De Christelijke theologie heeft er niet het minste belang bij, om aan deze ook maar eenigszins te kort te doen; integendeel erkent zij ten volle en eerbiedigt de wetten, die op dit gebied door God zijn vastgesteld; hoe meer in de erfelijkheid vaste wetten worden opgespoord, des te grooter wordt de heerlijkheid van Hem, die de Schepper aller ordinantiën en geen God van verwarring, maar van orde is. Ook is het volkomen waar, dat wij bijna nooit met juistheid de grenzen kunnen aanwijzen, die de persoonlijke schuld scheiden van de gemeenschappelijke schuld. Wat Schleiermacher zegt van de erfzonde, is heel iets anders dan wat Schrift en kerk aangaande haar uitspreken, maar op zichzelf is het van de zonde in het algemeen toch volkomen waar, dat zij eene Gesammtthat und Gesammtschuld des menschlichen Geschlechtes is, d. i.: de zondige toestand en de zondige daden van ieder mensch zijn eenerzijds veroorzaakt door die van het voorgeslacht en anderzijds ook weer oorzaak van de zondige toestanden en daden der nakomelingen; de zonde is in Jedem das Werk Aller und in Allen das Werk eines Jeden 2). Maar hoe waar dit alles ook zij, zoolang de biologie naast de herediteit ook de variatie erkennen moet, ontbreekt alle recht, om den mensch zijne zelfstandigheid en vrijheid te ontnemen en hem voor te stellen als een willoos instrument

') Van de rijke litteratuur zij alleen genoemd: hugo de Vries, Eenheid in veranderlijkheid, Album der Natuur 1898 bl. 65-80. Bibot, L'hérédité psychol.8 Paris Alcan 1894. T an Bemmelen, de erfelijkheid van verworven eigenschappen, 1890. B. Schilfer, Die Vererbung. Berlin, Reuther u. Eeichard 1897. D'. Jonker, Erfel. en Toerekenb. in Theol. Stud. v. Br. Daubanton, 1894 bl. 291—322. Gispen Jr. De leer der erfelijkheid en de leer der erfzonde, Tijdschr. v. Geref. Theol. Juli 1902 bl. 289-311. Kuhn, Herediteit en pessimisme, Gids 1900. G. von Bohden, Erbliche Belastung und ethische Yerantwortung. Tüb. 1907. L. Büchner, Die Macht der \ ererbung.2 Leipzig 1909. L. Bouman, Degeneratie, Orgaan v. d. Chr. V. v. Nat. en Geneesk. 1908 9.

2) Chr. Gl. § 71, 1. 2.

Sluiten