Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Kant zeer ernstig bestreden *). Wie ééne zonde doet, staat in beginsel schuldig aan de overtreding aller geboden, en wie ééne deugd in waarheid bezit, heeft ze in beginsel alle. De mensch is in den wortel van zijn wezen of goed of kwaad — een derde is er niet.

2°. De zonde is echter geene substantie, zij woont wel in en aan en bij den mensch, maar zij is niet en kan niet zyn het wezen van den mensch. De mensch is ook na den val mensch gebleven, hij heeft een rede, geweten en wil behouden, kan daardoor zijne lagere zinnelijke driften en neigingen beheerschen en zich alzoo dwingen tot deugd. Augustinus, die de deugden der Heidenen splendida vitia noemde, heeft dit toch volmondig erkend ; vele hunner daden zijn niet alleen geene berisping, maar veeleer onzen lof en onze navolging waard 2). De Lutherschen spraken van den natuurlijken mensch als een blok en een stok op geestelijk gebied, maar schreven hem in de zoogenoemde lagere hemispheer van het burgerlijke leven nog wel allerlei krachten ten goede toe 3). En meer dan zij allen hebben Calvijn en de Gereformeerden de deugden der ongeloovigen geëerd en ze aan de Christenen zeiven menigmaal ten voorbeeld gesteld *). De leer van het totale bederf der menschelijke natuur houdt dus geenszins in, dat de zondige geneigdheid, die ligt op den bodem van het hart, altijd in zulke daden uitbreekt, welke duidelijk vijandschap en haat tegen G-od en den naaste verraden. Er zijn verschillende omstandigheden, die tusschen beide treden en de neiging beletten, zich ten volle te uiten. Niet alleen worden vele zondige daden door het zwaard der overheid, het burgerlijk fatsoen, de publieke opinie, de vrees voor schande en straf enz., tegengehouden; maar allerlei factoren, zooals de ieder mensch nog eigene natuurlijke liefde, het door opvoeding en strijd gekweekte zedelijk karakter, gunstige omstandigheden van constitutie, omgeving, werkkring enz., leiden den mensch menigmaal tot beoefening van schoone, lofwaardige deugden. Alleen maar, daarmede is de zondige geneigdheid des harten onderdrukt, doch niet uitgeroeid; in allerlei booze overleggingen, gedachten, begeerten komt ze telkens naar boven; als de gelegenheid gunstig is en de nood dringt, breekt zij dikwerf alle dammen en dijken, die haar inhielden, door; en zij, die in schrikkelijke woorden en daden

') Kant, Religion, ed. Rosenkranz bl. 23—26.

2) Bij Wiggers, Aug. u. Pelag. I 119—123.

3) Frank, Theol. der Conc. I 144 v.

") Verg. mijne rede over De Algem. Genade bl. 27 v.

Sluiten