Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

WEZEN EN WERKING DER ZONDE. 13

geene substantie was. Er is hierover nooit verschil of strijd geweest.

Petavius haalt tal van kerkvaders aan, die allen in dit opzicht hetzelfde leeren. Er was hier ook geen twijfel of aarzeling mogelijk. Indien" de zonde eene substantie ware, zou er een wezen zijn dat God niet tot auteur had of zou God ook haar oorzaak zijn.' De zonde moest dus opgevat en omschreven als ovts Öv ome èv rotg oirnr, als eene êUsnplg, rov dyaïov, als dierstee

aovwerQca, evenals blindheid eene berooving is van het gezicht i)! n het westen heeft vooral Augustinus dit privatief karakter der zonde in het licht gesteld en tegenover de Manicheën gehandhaafd. Alle zijn is in zichzelve goed. Omnis natura, in quantum natura est ona est. Het kwade kan daarom slechts zijn aan het goede, non potest esse ullum malum nisi in aliquo bono, quia non potest esse nisi m aliqua natura. Het is zelf nulla natura, maar amissio, privatio, corruptio boni, vitium, defectus naturae ; bonum minui malum est 2).

et heeft daarom ook geen causa efficiens, maar alleen deficiens s). En evenzoo werd door de scholastici, door de Roomsche, Luthersche en Gereformeerde godgeleerden het begrip der zonde in metaphysischen zin tot dat der privatio herleid 4).

Aan de andere zijde is het echter duidelijk, dat de zonde door e egrip privatio niet voldoende omschreven wordt. Zij is toch geen oot gemis, niet een louter niet-zijn; maar zij is een werkzaam en ver erven beginsel, eene ontbindende, verwoestende macht. De Schrift spreekt van haar meestal in zeer positieven zin als overtreding, verkeerdheid, ongehoorzaamheid, onwettelijkheid enz., en schrijft haar de werkzaamheid van getuigen, heerschen, bewegen bedenken, strijden toe enz. Verschillende theologen hebben daarom ook de onderscheiding tusschen materia en forma in de zonde verworpen. Zij beriepen er zich b. v. op, dat Godslastering, afgoderij haat tegen God enz. als daden zondig waren en nooit eene goede forma konden aannemen, en zij omschreven de zonde daarom liever als eene entitas quaedam realis ac positiva, als een reale

>) Athanasius, c. Gent. 3 v. Gregorius Nyss., Catech. c. 5. Dionysius, de div nom. c. y. Damascenus, de fide orthod. II 30.

-) Augustinus, de civ. XI 9. 17. 22. Enchir. 11—13. c. Jul. c. 3 enz.

3) ld., de civ. XII 7. 9.

<) Zie behalve de boven reeds genoemde litt. bijv. nog: Becanus, Theol. schol.

ieqj ,,f-Q V' 5.qu" L Budde™> Inst. theol. bl. 546. Ursinus, Tract. Theol. bl- 199- Turretmus, Theol. El. loc. IX enz.

Sluiten