Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

der Bedingung denken, dass wir entweder an der absoluten Bosheit oder an der wahren Existenz etwas fehlen lassen »). Absoluut boos kunnen zij niet zijn, want zij zijn schepselen Gods en dus als zoodanig goed; en toch zijn zij alleen voorwerp van Gods haat en van zijn eeuwigen toorn. Om deze onbegrijpelijkheid van de natuur der duivelen hebben velen hun bestaan ontkend, en hen voor zielen van gestorven menschen of voor personificaties van onze booze zonden of voor onpersoonlijke principia van het kwade gehouden2). Maar de realiteit van Satan en zijne engelen is door de Schrift buiten twijfel gesteld; aan accommodatie valt er in het minst niet te denken; Jezus heeft zich in een zeer gewichtig punt der religie geheel en al vergist of het is alzoo, als Hij heeft gezegd ). En de leer van Satan is voor heel de Christelijke leer ook verre van onverschillig. Zij is van waarde tegenover het Manicheïsme, want Satan is geen oorspronkelijk wezen maar een gevallen engel, tegenover het Pelagianisme,'want Satan is door ééne wilsbeslissing geheel en al bedorven; tegenover de opvatting der zonde als zwakheid en zinlijkheid, want Satan is een hooge, heerlijke, rijke geest; tegenover de meening, dat de zonde een voorbijgaand moment in de ontwikkeling is, want Satan blijft Satan en wordt nimmer hersteld; tegenover de verlaging van den mensch tot een duivel, want Satan is uit zichzelf ten val gekomen, de mensch werd door hem verleid, is niet unschuldig maar ook niet wrschuldig; tegenover de opvatting van de verzoening als een ethisch proces, want Christus is gekomen, om de werken des duivels te verbreken. Het geloof aan Satans bestaan is geen element van het zaligmakend geloof in Christus; maar het hangt er toch wel mede saam. Er ligt waarheid in het: nullus diabolus, nullus redemptor! Indien er geen zonde ware, zou er geen verlosser zijn, en de ernst der zonde komt juist in de leer van Satan het duidelijkst uit 4).

Uit alles, wat de Schrift van de engelen getuigt, blijkt toch, dat het zedelijk leven bij hen een ander karakter draagt dan bij de menschen. Menschen zijn op ieder terrein en zoo ook in het

1) C. J. Nitzsch, Syst. d. Chr. Lehre § 116. F. A. B. Nitzsch, Ev. Dogm. bl. 337.

2) Bekker, Betov. Werelt II c. 20 v. Semler, de daemoniacis 1760. Schleiermacher, Chr. Gl. § 44. 45. Schelling, Werke II 4 bl. 241 v. Rothe, Ethik § 503. Martensen, Dogm. § 99 v. Strams, Chr. Gl. II 1 v. Biedermann, Dogm bl. 614 v. Lipsius, Dogm. § 521—524. Beyschlag, Neut. Theol. I. 93 v. Kaftan, Dogm. § 38.

3) Gerretsen, De val des menschen bl. 43.

4) Von Oettivgen, Luth. Dogm. II 459 v.

Sluiten