Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

lijkheid, noch ook aan J. Muller met zijn praeëxistentianisme, om de zinnelijkheid uit de zelfzucht te verklaren *). En dat is ook goed te begrijpen. Metaphysisch en abstract kan de zonde niet anders en niet nader omschreven worden, dan als privatio boni; dan heeft zij geen eigen principe, geen reëel bestaan; ze bestaat slechts aan het goede. De vormen, die zij aanneemt, ontleent zij / aan het goede, waarin zij woont en dat zij verderft. Ze zal dus / in gedaante verschillen naar gelang van de schepselen, in welke zij zetelt en de organen en krachten, waarvan zij zich bedient. Ofschoon altijd privatio boni, draagt ze bij engelen en menschen en zelfs bij ieder van deze weder een bijzonder karakter. En wijl de mensch van huis uit noch alleen een zinnelijk noch alleen een geestelijk wezen is, maar altijd beide te zamen, daarom zal alle zonde bij hem ook dit karakter vertoonen. Geene enkele zonde des menschen is uitsluitend zinnelijkheid of uitsluitend zelfzucht. Evenals aan de eerste zonde bij Adam, zijn er aan elke zonde verschillende zijden op te merken, al is het ook dat meestal de eene meer in het oog springt dan de andere. Elke zonde is bij den mensch aversio a Deo, ongehoorzaamheid, opstand, anarchie, anomie en tegelijkertijd, wijl hij aan zichzelf nooit genoeg heeft, conversio ad creaturam, afgoderij, hoogmoed, zelfzucht, zinnelijkheid a). En wijl de schepselen, waar de mensch zich heenwenden kan, zoovele zijn, daarom kan de zonde bij hem ook zoo velerlei vormen aannemen. Er zijn zooveel soorten van zonden, als er verschillende geboden, plichten, deugden, zedelijke goederen zijn. Thomas deelde de zonden in naar de objecten, op welke zij zich richten 8). Scotus naar de deugden, aan welke zij tegengesteld zijn 4). En daarnaast bestonden nog vele andere indeelingen, zooals die in zeven hoofdzonden, superbia, avaritia, luxuria, via, gula, invidia, acedia (vox memorialis: saligia) 6); naar de norma, in zonden tegen de verschillende geboden der wet of in zonden tegen God, den naaste en onszelven; naar het instrument, waarmede ze geschieden, in zonden met gedachten, woorden en werken, of in zonden des geestes en des vleesches, of overeenkomstig 1 Joh. 2 :16 in peccata

x) Verg. Dorner, Chr. Gl- II 90 98.

2) Bonaventura, Sent. II dist. 42 art. 3 qu. 2.

3) Thomas, S. Theol. II 1 qu. 72 art. 1.

<) Duns Scotus, Sent. II dist. 37 qu. 1, 9. Verg. Liguori, Theol. Mor. de peccato II n. 32.

5) Zöckler, Das Lehrstück von den sieben Hauptsünden. München 1893.

Sluiten