Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

kunst, gebruikte. Dezelfde straf is voor verschillende personen in verschillende omstandigheden zeer ongelijk en kan daarom in het eene geval rechtvaardig, en in het andere geval hoogst onrechtvaardig zijn. Vandaar dat ook in de Israelietische wetgeving het jus talionis volstrekt niet altijd streng en letterlijk werd toegepast; er werd met verschillende gevallen gerekend en soms als straf eene geldboete voorgeschreven, Ex. 21: 30—26; op iemand, die als een valsch beschuldiger optrad en het recht te zijnen bate wilde misbruiken, werd diezelfde straf toegepast, welke hij zijn broeder had toegedacht, Deut. 19:19. Maar in de practijk werd het jus talionis desniettemin dikwerf misbruikt; en daartegen kwam Jezus in de bergrede op, Matth. 5 : 38—42.

Om dit woord goed te verstaan, lette men er wel op, dat Jezus de woorden: oog om oog en tand om tand, niet rechtstreeks uit het Oude Testament aanhaalt, want dan had Hij ze zekerlijk ingeleid met de formule: daar staat geschreven. Maar Hij haalt ze aan, als van ouds in de scholen der Joden geleerd en uitgelegd, en komt op tegen de valsche uitlegging, die er daar van gegeven werd. En die valsche uitlegging bestond niet daarin, dat men de wet der vergelding, gelijk die in het Oude Testament geleerd werd, ook buiten de rechtshandeling in het private leven en het onderling verkeer van toepassing achtte, maar dat men ze ook publiek, voor den rechter, aan het eigenbelang, aan persoonlijke wraak en haat, dienstbaar maakte. Hiertegen komt Jezus op, en Hij stelt er het beginsel der liefde en der lijdzaamheid voor in de plaats. Zijne discipelen moeten den booze niet wederstaan, d. i. niet, naar den regel van oog om oog en tand om tand, kwaad met kwaad vergelden; tegenover een oubillijken eisch van den naaste geen even onbillijken tegeneisch stellen; zich niet door gelijk gedrag op hun naaste trachten te wreken; maar veeleer door liefde, geduld, lijdzaamheid, toegevendheid, inschikkelijkheid hem zoeken te winnen. Daarmede keurt Christus echter volstrekt niet alle opkomen voor eigen recht af. Want als een van de dienaren in de zaal van den hoogepriester Hem een kinnebakslag geeft, keert Hij niet zijne andere wang toe, maar verantwoordt zich, zeggende: indien Ik kwalijk gesproken heb, betuig van het kwade, en indien wèl, waarom slaat gij mij? Joh. 18:22, 23, verg. ook Paulus, Hand. 22 : 25, 23 :3, 25 :10. Maar ook het recht van anderen en van onszelven moet volgens Christus zoo hoog staan, dat het op geenerlei wijze aan persoonlijke wraak of haat, aan het eigenbelang, aan de

Geref. Dogmatiek III. 1 1

Sluiten