Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

boosheid des harten ondergeschikt en dienstbaar mag gemaakt worden; als men ervoor opkomt, dan moet dat geschieden uit liefde tot God en den naaste. De wraak en de vergelding zijn immers, ook volgens het Oude Testament, de zaak des Heeren

zeiven, Deut. 32 : 35.

Maar juist daarom is ook door heel de Schrift heen de vergelding het beginsel en de maatstaf der straf. Daar is geene wetgeving in de oudheid, die zoo streng en zoo herhaaldelijk den eisch van het recht handhaaft, als die van Israël. Dat komt vooral in deze drie dingen uit: 1°. de schuldige mag geenszins onschuldig gehouden worden, Deut. 25:1, Spr. 17:15, 24:24, Jes. 5:23; 2". de rechtvaardige mag niet verdoemd worden, Ex. 23:7, Deut. 25:1, Ps. 31:19, 34: 22, 37 : 12, 94 : 21, Spr. 17 : 15, Jes. 5 : 23; en 3°. inzonderheid mag het recht van den arme, den verdrukte, den daglooner, de weduwe en den wees niet gebogen, maar moet het juist tot hunne bescherming en ondersteuning aangewend worden, Ex. 22 : 21v. Deut. 23 : 6, 24 : 14, 17, Spr. 22 : 22, Jes. 5 : 28, 22 : 3, 23, Ezech. 22 : 29, Zach. 7:10. In het algemeen, in en buiten het gerecht moet gerechtigheid worden nagejaagd, Deut. 16 :20. En dit alles heeft zijn grond daarin, dat God de God des rechts en der gerechtigheid is, die den schuldige geenszins onschuldig houdt, nochtans barmhartig, genadig en groot van goedertierenheid is en het recht van den arme en den verdrukte, van de weduwe en den wees staande houdt, Ex. 20 : 7, 34 : 7, Num. 14 : 18, Ps. 68 : 6 enz. Dienovereenkomstig bedreigt Hij straf op de zonde, Gen. 2:17, Deut. 27 :15v., Ps. 5:5, 11: 5, 50 : 21, 94 : 10, Jes. 10 : 13—23, Rom. 1:18, 2:3, 6:21, 23, enz., en bepaalt de mate der straf naar den aard van het misdrijf; Hij vergeldt een iegelijk naar zijn werk, Ex. 20:5—7, Deut. 7:9, 10, 32:35, Ps. 62:13, Spr. 24: 12, Jes. 35 : 4, Jer. 51: 56, Mt. 16 : 27, Rom. 2 :1—13, Hebr. 10:30, Op. 22 :12.

336. Hiermede in overeenstemming sprak de Christelijke theologie van eene justitia distributiva, onderscheiden van eene justitia remunerativa en vindicativa *), en leidde daaruit af het recht en het wezen der straf. Inderdaad is er ook geen ander laatste en diepste beginsel, waaruit de straf kan worden gededuceerd, dan de gerechtigheid Gods. Alle straf onderstelt, dat hij, die de straf uitspreekt en oplegt, met gezag is bekleed over hem, die de wet overtrad.

*) Verg. deel II 225.

Sluiten