Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

wet te voldoen; wij zijn gehouden tot straf. Schuld is de van wege wetsovertreding op iemand rustende verplichting, om aan de wet door een evenredig straflijden te voldoen. Zij bindt den zondaar terstond na zijne overtreding aan de wet, aan haar eisch om voldoening en straf. De mensch meent door overtreding vrij te worden van de wet, maar juist het tegendeel heeft plaats, hij wordt op andere wijze veel vaster gebonden aan haar eisch. God, die niet ophouden kan God te zijn, ook al geeft hij den mensch vrijheid, om zich tegen Hem te stellen, laat den mensch nooit los, en deze wordt nimmer los van God. Op hetzelfde oogenblik, dat hij zich buiten de wet, d. i. buiten de liefde plaatst, treft zij hem met haar vloek en bindt hem aan haar straf. Schuld is obligatio ad poenam justam sustinendam, subjectio peccatoris ad poenam 1). De Roomsche theologie maakt onderscheid tusschen reatus culpae en poenae 3). Maar deze onderscheiding verraadt kennelijk de bedoeling, om de satisfactorische straffen voor de geloovigen hier op aarde en in het vagevuur te rechtvaardigen, en is met den aard van schuld en straf in lijnrechten strijd. Wel is het waar, dat de zonden der geloovigen, d. i. van hen, die volle vergeving hebben ontvangen, in ziclizelve altijd zonden en strafwaardig blijven; tegen de Antinomianen, die dit loochenden en daarom het gebed om vergeving voor de geloovigen onnoodig achtten, hebben de Gereformeerden dit steeds gehandhaafd

ten opzichte van anderen in. Toerekening is daarentegen de handeling van anderen, welke eene bepaalde daad toeschrijven aan, op rekening zetten van den verantwoordelijken wil van een vrij redelijk wezen; deze toerekening mag en moet geschieden, indien en naarmate (want er zijn graden in) zulk een wezen toerekenbaar is. Toerekenbaarheid is ruimer dan verantwoordelijkheid; als iemand zich niet tegenover anderen behoeft te verantwoorden (bijv. een koning, die onschendbaar is) of zich niet kan verantwoorden (door ziekte, krankzinnigheid, dood), dan blijft hij toch toerekenbaar; de gepleegde daad blijft voor zijne rekening; maar bij de anderen ontbreekt de bevoegdheid of de macht, om zoo iemand tot verantwoording te roepen, te oordeelen en eventueel te straffen. Verg. art. Zurechnung, bij Eisler, Wörterbuch der phil. Begriffe. Cathrein, Die strafrechtl. Zurechnungsfahigkeit, Stimmen a. Maria Laach 1904 bi. 357—373. De Bussy, Over Verantwoordelijkheid, Teylers Theol. Tijdschr. I.

*) Polanus, Synt. bl. 338. De Moor, Comm. III. 135. Turretinus, Theol. El. XI qu. 3. Mastricht, Theol. IV 2, 7. Muller, Sünde I 264. Vilmar, Theol. Moral I 195. Art. Schuld van Kahler, in PRE3. Wuttke, Ethik II 97, Scholten, Vrije Wil 217 v. Hoekstra, Vrijheid 303 v.

2) Lombardus, Sent. II dist. 42. Thomas, II 1 qu. 87 art. 6. Conc. Trid., c. 14 can. 30. XIV. de poenit. c. 8 en can. 18—15. Bellarminus, de amiss. gr. V 19. Theol. Wirceb, VII 27.

Sluiten