Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

is uit de aarde, en dat desniettemin de dood door de zonde in de wereld is gekomen. En alle Christenen spreken op dezelfde wijze ; de mensch is stof, vleesch, vergankelijk, en toch is zijn dood gevolg der zonde. Voorts is er geen volk, dat de schrikkelijkheid en de onnatuurlijkheid des doods dieper heeft gevoeld dan Israël; de mensch is stof en moet tot stof wederkeeren, maar natuurlijk is dit niet, de zonde heeft de levenskracht der menschen allengs verzwakt, Henoch en Elia zijn den dood ontkomen, het is in strijd met de innerlijke natuur van den mensch, Job 14:1—12, rechtvaardigheid en leven zijn innig verbonden, Lev. 18:5, Deut. 4:1, 30 :15, Jer. 21: 8, Hab. 2 : 4, Ezech. 33 :16, Ps. 36 :10, Spr. 3 : 2, 18, 4:4, 13, 22, 8:35 enz., in de vergankelijkheid des levens wordt een gericht Gods openbaar, Ps. 90: 7—12 1). In de apocriefe en joodsche litteratuur, Sir. 25: 26, 39 : 29, 40 : 9, Henoch 69 :11, Wijsh. 1: 12v., 2 : 24, 4 Ezr. 3 : 7, Apoc. Bar. 23 : 4, en in het N. T., Joh. 8 : 44, Rom. 1 : 32, 5 :12, 6 : 23, 1 Cor. 15 : 22, 55, 56, Hebr. 2 :14, 1 Petr. 4 : 6, Jak. 1:15, 5 : 20, Op. 20:14, 21: 4 enz., wordt dan duidelijk uitgesproken, dat de dood bezoldiging der zonde is. Allerminst bestaat er dus voor hen, die het N. T. steeds verheffen ten koste van het O. T., reden om den samenhang van zonde en dood te loochenen. Toch geschiedt dit menigmaal op grond van getuigenissen der historie en uitspraken der natuurwetenschap.

Er zijn n.1. velen, die alle vreeze des doods schijnen overwonnen te hebben en zeer kalm ontslapen ; anderen maken door zelfmoord zelfs een einde aan het leven ; Rousseau beweerde, dat de natuurmenschen allen in vrede en zonder vreeze sterven ; Lessing meende,, dat de ouden den dood hielden voor een broeder van den slaap en er niets schrikwekkends in zagen; de romantiek dweepte menigmaal op sentimenteele wijze met den dood. En toch, al hebben enkelen in stoïsche apathie het zoover gebracht, dat zij den dood als een lot met kalmte tegemoet zien, vreeze des doods is al het levende aangeboren. Wij gelooven in den grond niet, dat wij sterven moeten. De dood speelt in het menschelijk leven zulk eenegroote rol, dat de philosophie terecht eene fisXsr^ lt-uvu%ov kan heeten 2). De dood is voor den mensch altijd de laatste en grootste-

') Krabbe, Die Lehre v. d. Sünde u. v. Tode 1836 bl. 68 v. Schultz, Alttest. Theol, 690 v. Oehler, Theol. d. A. T. § 77.

2) Schopenhauer, Die Welt I 324 y. II 528 v.

Sluiten