Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

eerst bij Olevianus, Calvijn of Bullinger voor, maar wordt in beginsel reeds aangetroffen bij Zwingli, die tegenover de Wederdoopers de wezenlijke eenheid handhaafde van Oud en Nieuw Testament!). Van Zwingli ging ze over naar Bullinger en Calvijn 2), en vond voorts opname in de Duitsche Gereformeerde theologie van Olevianus, Ursinus, Sohnius, Eglin, Boquinus, Hyperius enz 3); in de Engelsche theologie van Rollock, Howie, Cartwright, Preston, Thomas Blake, Perkins, Amesius, John Ball, James Usher, de Westm. conf. c. 7, Francis Roberts, Thomas Boston enz. 4); in Nederland bij Snecanus, Junius, Q-omarus, Trelcatius vader en zoon, Nerdenus, Ravensperger enz. Lang vóór Cloppenburg en Coecejus was dus de leer der verbonden in de Gereformeerde Theologie inheemsch. Maar laatstgenoemden maakten de bondsidee tot uitgangspunt en beheerschend beginsel der gansche dogmatiek en brachten daarmede eene principieels verandering teweeg 5).

De strijd tegen Coccejus liep rechtstreeks heel niet over de verbondsleer, die door allen erkend werd, maar over den sabbat bij Essenius en Hoornbeek 1655—1659, over den toestand der kerk in de tweeërlei huishouding bij Maresius 1662, over de nagsoig in het O. T. bij Yoetius 1665. Wat in Coccejus bestreden werd, was niet zijn foedusbegrip, maar zijne bijbelsche theologie en zijne historische methode. Evenals Cartesius in de philosophie, zoo kwam Coccejus in de theologie op tegen de scholastiek en het traditionalisme, drong aan op Schriftstudie, en wilde eene summa theologiae ex Scripturis repetita, gelijk de titel zijner dogmatiek luidde. Om dat te verkrijgen, ging hij in zijne Summa doctrinae de foedere niet uit

prot. Dogm. II 265. Schneckenburger, Vergl. Darst. des luth. u. ref. Lehrbegrif'fa II 146. Diestel, Studiën zur Foederaltheol., Jahrb. f. d. Theol. X 209. Van den Bergh, Calvijn over het Genadenbond bl. 7 v. Heppe, Gesch. d. Piet. u. d. Mystik in der ref. K. 1879. Korff, Die Anfange der Foederaltheol. und ihre erste Ausgestaltung in Zürich und in Holland. Bonn 1908.

') Zwingli, Elenchus contra Anabaptistas 1527, Op. III 412 v. 418 v. 421 v. V 45.

-) Bullinger, de testamento seu foedere Dei unico et aeterno 1534. Comp. relig. Christ. 1556, Decades 1549. Cavijn, Inst. II c. 10. 11, verg. Van den Bergh, Calvijn over het Genadeverbond en de beoordeeling van deze dissertatie door Dr. van Dijk, Studiën VII 1880, eerste stuk.

3) Verg. Heppe, Dogm. d. d. Prot. I 150 v.

4). Vos, De verbondsleer in de Geref. Theol. 1891.

6) Cloppenburg, Diep. de foedere Dei, Op. I 487-570. Coccejus, Summa doctrinae de foedere et testamento explicata 1648, en voorts onder hun invloed Burmannus, Synopsis theol. 1671. Braun, Doctr. foederum 1688. Witsius, de oec. foed. 1677.

Sluiten