Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dat de naam in het N. Test., bijvoorbeeld in de Pastoraal-brieven, met eene antithetische en apologetische bijbedoeling op Christus toegepast wordt. Evenals Paulus in 1 Cor. 8:5, 6 zeggen kan: gesteld al, dat zoogenaamde goden in den hemel of op de aarde bestonden, gelijk er vele heeren zijn, zoo hebben wij toch maar éénen G-od, den Vader, en éénen Heer, Jezus Christus; zoo kunnen de apostelen soms aan Christus den naam van hmtijq hebben toegekend, om te doen uitkomen, dat, al noemen anderen een koning of een keizer hun oooTrjQ, Christus en Hij alleen en in der waarheid de Zaligmaker voor de geloovigen is. Hieruit volgt echter nog geenszins, dat deze naam door de schrijvers van het Nieuwe Testament aan het Heidensch spraakgebruik is ontleend en dan vandaar op Christus is overgedragen. Want blijkbaar is deze naam in den kring der discipelen in aansluiting aan den Hebreeuwschen naam van Jezus ontstaan, Matth. 1:21, verg. Luk. 1:47, 2 : 11, Hand. 5:31, 13:23. En nog veel minder is de Hebreeuwsche naam voor den verwachten koning uit Davids huis van de Heidensche volken overgenomen, want terwijl hier de naam van gojtijq voor den koning gebruikelijk is, wordt de Messias slechts enkele malen met den naam van s^iaia, en in den regel onder gansch andere namen aangeduid. Bij dit alles is nu nog toegegeven, dat de documenten, die aan het licht gekomen zijn, inderdaad zeggen, wat er in gelezen wordt; maar men mag ten slotte niet vergeten, dat vele van die uitspraken los op zichzelve staan en in het milieu, waarin zij ontstaan zijn, dikwerf een gansch anderen zin bevatten, dan die er thans in gevonden wordt; dat er groot gevaar bestaat, om ze te bezien en te verklaren bij het licht, dat het Oude Testament zelf ons geschonken heeft, en dat het in menig geval niet is uit te maken, of de Israelietische profetie in vroeger of later tijd misschien niet op de Heidensche verwachtingen voor de toekomst invloed geoefend heeft1).

353. Maar onder dit voorbehoud valt er toch niet aan te twijfe-

x) Wagner, Ueber (Sw'Qetv und seine Derivata im N. T., Zeits. f. neut. Wiss. 1905 bl. 205 v. Giesebrecht, in de recensie van Gressmann's boek, Theol. Stud. u. Krit. 1907 bl. 619 v. Gressmann's antwoord weer ib. 1908 bl. 307—317). E. Sellin, Die israeljiid. Heilandserwartung 1909 bl. 44 v. G. Vos, art. Saviour. in Hasting's Dict. of Christ. II 573. Verg. ook Stimmen aus Maria Laach 1906 bl. 588—592.

Sluiten