Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Messias, die het koninkrijk van God ontvangt, vers 14, en de toekomstige Heerscher van het volk der heiligen is. Zoo werd de tekst van Dan. 7 :13 dan ook in de apocriefe litteratuur van Henoch

en 4 Ezra opgevat1).

Indien de naam van menschenzoon door Jezus aan het Oude

Testament werd ontleend, dan spreekt het vanzelf, dat hij geen symbool kan zijn voor het toekomstige Godsrijk (Hoekstra), noch ook eene benaming van Jezus als den waren, idealen mensch (Herder, Schleiermacher, Neander, Lange, Ebrard, Thomasius, Godet, Beyschlag enz,) of als den nederigen, zwakken mensch (Grotius,. de Wette, Ewald, Baur, Strauss, Kuenen, Schenkel, Stier, Nösgen enz.); maar dat hij eene aanduiding moet zijn van zijne boven allen verheven, Messiaansche waardigheid in den zin, gelijk Hij zelf die verstond. Nu hebben, evenals vroeger reeds de rationalist Paulus, Comm. über das N. T. op Mt. 8:20 en Uloth in de Godg. Bijdragen 1862, zoo in den jongsten tijd Lagarde, Wellliausen, Brandt, Oort en vooral Lietzmann wel beweerd, dat Jezus zich nooit in het Arameesch w: "O noemde of daarvan alleen zich bediende, om zichzelven in den derden persoon als „de mensch" aan te duiden; dat de Arameesche woorden later ten onrechte door inog tov dvloomov vertaald werden en in de Christelijke apocalyptiek in aansluiting aan Dan. 7: 13 van den Messias werden verstaan, en in die beteekenis dan Jezus in den mond zijn gelegd ). Maar deze meening bleek bij nader onderzoek zeer onwaarschijnlijk. Want ten eerste had het Arameesch voor mensch den gewonen term en gebruikte daarvoor, althans in Jezus tijd, nooit den naam van O-O na; slechts eenmaal komt in het Nieuwe Testament de naam kinderen der menschen in den pluralis voor, Mk. 3 : 28, maar anders wordt mensch altijd met het enkele woord dv&Q(onos aangeduid. De term: zoon des menschen was daarom ongewoon, bevatte eene herinnering aan Dan. 7 : 13 en werd in dien tijd in de apocalyptische litteratuur van den Messias verstaan. Ten tweede komt daar nog bij, dat bedoelde meening geene verklaring geeft, waarom de Arameesche uitdrukking in

1) Sellin, Die isr-jüd. Heilandserwartung bl. 70 v. Gould in Hastmgs Dict. of Christ II 660.

2) Wellhausen, Isr. u. Jüd. Geseh. 1894 bl. 312. Id., Skizzen und Vorarbeiten, Berlin 1899 bl. 187—215. Lietzmann, Der Menschenson. Freiburg 1896. Oort, De uitdrukking ó vtog tov dvUoomov in het N. T. Leiden 1893. A. Meyer, Jesu Muttersprache 1896 enz.

Sluiten