Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de klassieke wereld en vooral van Jezus' eigen tijd x); voorts moest de menschwording beschouwd worden als niet toevallig om de zonde noodzakelijk, maar als uit de idee Gods voortvloeiende en met de schepping zelve gegeven a); en dan moest de ontwikkeling van Jezus als mensch nagegaan worden in hare historische ontwikkeling, totdat Hij tweede Adam, hoofd der menschheid, Centralindividuum werd 3).

Eindelijk kwam in de nieuwere Christologie, die aan de belijdenis van Christus als Godmensch nog vasthield, het streven op, om de eenheid van deze beide op eene andere en betere wijze te handhaven, dan in de belijdenis van Chalcedon en de kerkelijke dogmatiek geschied was. Daartoe werd, ten deele op God zelf maar vooral op den Godmensch, de idee van het worden toegepast. Schelling begon daarmede in zijne tweede periode *). De Zoon was in zekeren zin wel eeuwig in den Vader; maar als door den Vader gegenereerd, als Zoon buiten (praeter) den Vader, treedt hij eerst op in de schepping. Ook dan echter bestaat de Zoon niet als een reëel persoon, doch als eene Potenz, die zich verwerkelijken kan en moet. Door de zonde des menschen wordt echter de wereld een aussergöttliches Sein, en de Zoon, die om die wereld gegenereerd is en aan haar verbonden blijft, krijgt een niet innerlijk, maar uiterlijk van den Vader onafhankelijk zijn 5). Hij was in een tusschentoestand, iv Hoqw &sov, Hij wordt Christus, blijft aan de gevallen wereld, welke de Vader aan Hem overlaat, verbonden, voert deze in den weg van zelfvernietiging en gehoorzaamheid tot den Vader zelf terug, en wordt zoo aan het einde der wereld zelf Zoon in volkomen zin 6). De gedachte over de wording van den Godmensch had in theosophische kringen b.v. op Baader, Steffens, enz. grooten invloed. En zelfs Rothe en Dorner namen de gedachte over, dat God of de Logos in diezelfde mate meer in den historischen persoon

') Schneckenburger, Vorlesungen iiber neutestamentliche Zeitgeschichte. Frankf. 1862, en voorts Hausrath, Schiirer, O. Holtzmann, W. Staerk enz.

-) C. I. Nitzsch, Syst. d. Chr. Lehre bl. 258. Martensen, Chr. Dogm. 1856 bl' 221 v. Schöberlein, Princip u. Syst. der Dogm. 1881 bl. 627 v., en vele anderen verg. Bomer, Entw. II 1243—1260.

3) Rothe, Theol. Ethik § 541. Lange, Chr. Dogm. II § 60, en anderen, verg. Bomer, Entw. II 1227 v.

4) Verg. deel II 339 v.

!') Schelling, Werke II 3 bl. 317 v.

6) Schelling, Werke II 4 bl. 35 v.

Sluiten