Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Naar de Schrift toch is in Christus dat Woord vleesch geworden, hetwelk in den beginne bij God en zelf God was. Ten allen tijde en van allerlei zijde is deze Godheid van Christus ontken en bestreden. Maar de Schrift leert niet anders. Wij zijn, gelijk Ch. de la Saussaye eens zeide, aan de superlatieven der H. Schrift gewoon en verstaan dikwerf de kracht harer uitdrukkingen niet meer. Maar indien een mensch zoo van zichzelven sprak als

Jezus steeds deed; als anderen een mensch zoo vereerden gelijk

profeten en apostelen dat den Christus doen; dan zou elk da houden voor waanzinnige dweepzucht of schrikkelijke Godslastering. De Schrift kent, niet op eene enkele plaats maar telkens, aan Christus toe een persoonlijk eeuwig voorbestaan, Joh. 1:1, 8:5», 17 : 5 Rom. 8 : 3, 2 Cor. 8 :9, Gal. 4 : 4, Phil. 2 : 6, een Goddelijk Zoonschap in bovennatuurlijken zin, Mt. 3 : 17, 11: 27, 28 .19, Joh. 1-14 5-18 Rom. 8:32, de schepping en de onderhouding aller dingen, Joh. 1:3, 1 Cor. 8:6, Ef. 3:9, Col. 1:16, 17, Heb, 1 ■ 3 Op. 3:14, de verwerving voor allen en een iegelijk van a e heil 'en zaligheid, Mt. 1: 21, 18 :11, Joh. 1: 4, 16, 14 : 6, Hd. 4 :12, 1 Cor 1" 30, het koningschap in de gemeente, Mt. 3:2, o: 1 , 10:32*, 37, Joh. 18:37, 1 Cor. 11:3, Ef. 1:22, Col. 1:18, de heerschappij over alle dingen, Mt. 11: 27, 28 :18, Joh. 3: I35, 17 : 2, Hd. 2:33, 1 Cor. 15:27, Ef. 1:20-22, Phil. 2:9, Col. 2:10, Hebr. 2 :8, het oordeel over levenden en dooden, Joh. 5:27, H . 10 : 42, 17 : 31, Rom. 14 : 10, 2 Cor. 5 :10; zij noemt Hem rechtstreeks en ondubbelzinnig met den naam van God, Joh. 1:1, 20:28, Rom. 9 : 5, 2 Thess. 1:12, Tit. 2 :13, 2 Petr. 1:1, Hebr. 1: 8, 9. ).

i) Breeder is dit alles ontvouwd in mijne Magnalia Dei. Kampen 1909 § 15 en 16. Verg. voorts Cremer, Wörterbuch s. v. Üsog, xvotug enz. B. . arfie , The Lord of Glory. A Study of the designations of our Lord in the New es . with especial reference to his Deity. New-York 1907. Bröse, Wird Christus Rom. 9 -5 &eog genannt? Neue Kirchl. Zeits. 1899 bl. 645-657. Kunze, Die ewige Gottheit Jesu Christi. Leipzig 1904. Steinbeck, Das göttliche Selbstbewustsem Jesu nach dem Zeugnis der Synoptiker. Leipzig 1908. K. Grass, Zur Lehre von der Gottheit Christi. Gütersloh 1900. A. Schlatter, Jesu Gottheit und das Kreuz. Gütersloh 1901. H. Cremer, Die Bedeutung des Artikels von der Gottheit Christi für die Ethik. Leipzig 1901. Kahler, Das Bekenntnis zur Gottheit Christi, Angewandte Dogmen. Leipzig 1908 bl. 132-155. Th. Simon, Der Logos. Ein Versuch emeuter Würdigung einer alten Wahrheit. Leipzig 1901. E. F. K. Muller Unser Herr Der Glaube an die Gottheit Christi. Gr. Lichterfelde 1906. A. Seitz, Das Evangelium vom Gottessohn. Eine Apologie der wesenhaften Gottessohnschaft Christi gegenüber der Kritik der modernsten deutschen Theologie. Freiburg Herder 1908.

Sluiten