Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

waardigheid en heerschappij, waartoe Hij vooral na zijne opstanding verheven was ^Christus werkt door Goddelijke kracht diezelfde ingen, quae ipsms Dei sunt, tanquam Deus ipse 2). Hoe nomen Deus non est nomen substantiae cujusdam proprium vel personae, sed auctontatis, potentiae, evenals ook engelen en overheden in de chnft volgens Jezus' eigen woord, Joh. 10:34, soms Goden genoemd worden 3). Ditzelfde wordt thans door Ritschl en zijne school geleerd; de naam van God wordt in de Schrift en in de gemeente wel voor Christus gebruikt, maar is dan een ambts-, geen wezensnaam. Deze voorstelling is echter geheel onhoudbaar. Wel worden engelen en overheden in de Schrift soms Goden genoemd, maar dan is de overdrachtelijke, ambtelijke zin duidelijk en springt elk in e oog. Bij Christus is dat een geheel ander geval. Hem wordt een persoonlijk, eeuwig voorbestaan toegekend; van Hem wordt gezegd dat Hg God was, m zijne gestalte bestond, het afschijnsel van Gods heerlijkheid was, eengeboren Zoon Gods, Beeld des onzienlijken Gods, ja God boven alles, te prijzen in der eeuwigheid wie kan dit bij mogelijkheid verstaan van een mensch, die alleen

om het ambt dat hij droeg, en het werk, dat hij deed, den eeretitel van (jrod verkreeg?

Verder, de Christelijke kerk heeft, Jezus God noemende, daarmee e nooit een ambts-, maar altijd een wezensnaam bedoeld Wanneer men datzelfde woord en dienzelfden naam in gansch anderen zin gaat bezigen, geeft men opzettelijk aanleiding tot misverstand en verwarring en maakt men zich tegenover de gemeente aan oneerlijkheid schuldig. Voorts, indien Christus niet God is in wezenlijken zin, dan mag Hij zoo ook niet genoemd en vereerd worden. Of men al zegt dat Hij Gods liefde volkomen heeft geopenbaard, dat ij Gods plan met wereld en menschheid geheel in zich heeft opgenomen, dat Hij Gods wil ten volle tot den zijnen heeft gemaakt, dit alles rechtvaardigt op Schriftuurlijk, Christelijk standpunt en ook logisch en wijsgeerig voor den mensch Jezus de benaming van God met. In religieuzen en ethischen zin één met God te zijn

Vt grf.anders' dan het te —en in metaphysischen zin. Een Werthurthe1 is onwaar, als het niet in een Seinsurtheil zijn grond ee . indelijk de benaming en vereering van Jezus als God, ter-

') Catech. Eacov. qu. 94—190.

*) Ib., qu. 120. 164.

3) Socinus, op Joh. 1:1.

Geref. Dogmatiek III.

zu

Sluiten