Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Om al de gegevens der Schrift over den persoon van Christus te handhaven, kwam de theologie allengs tot de leer der twee naturen. Zij stelde deze niet op bij wijze van hypothese en bedoelde er ook niet mede eene verklaring van het mysterie van Christus' persoon; zij vatte daarin alleen onverminkt en onverzwakt de gansche leer der Schrift van Christus saam, en handhaafde deze daarmede tegenover de dwalingen, die ter linker- en ter rechter zijde in Ebionitisme en Gnosticisme, Arianisme en Apollinarisme, Nestorianisme en Eutychianisme, Adoptianisme en Monotheletisme, en in den nieuweren tijd in de leer van Rothe en Dorner over den wordenden G-odmensch en in de leer van Gess e. a. over de kenosis optraden. Het Kestorianisme kwam voort uit de Antiocheensche school, had zijne voorbereiding bij Diodorus van Tarsus en Theodorus van Mopsuestia, en werd dan door Nestorius zoo ontwikkeld, dat de eeuwige, natuurlijke Zoon van God onderscheiden was van,

},!_ si 132), of leggen er den nadruk op, dat Jezus, wiens bestaan en leven toch

wel ondanks alle critiek in eenige hoofdtrekken kenbaar is, ook door ons nog de Christus genoemd mag worden, omdat Hij de stichter was van een geestelijk Godsrijk, of m. a. w. geloofde aan den godsdienstig-zedelijken vooruitgang der menschheid, welke vooruitgang toch niet anders denkbaar is, dan in den weg der beginselen, door Jezus gepredikt (C. J. Niemeijer, aldaar, bl. 135—183), of eeren Jezus als den Christus, omdat Hij niet alleen was de religieuze verlosser, maar ook de redder uit socialen en politieken nood, de vernieuwer der aardsche verhoudingen (J. A. Bruins, aldaar, bl. 187—122), of zij trachten de Christelijke leerstukken op Hegels wijze door wijsgeerige interpretatie te doen herleven, zoodat de Vader het goddelijke voorstelt boven de natuur als haar Schepper, Christus, zonder verband met den historischen Jezus, de geopenbaarde God wordt, het goddelijke in de natuur als de ziel en het wezen der dingen; en de Heilige Geest het goddelijke, dat in het natuurlijke zich boven het natuurlijke verheft en de schepping herschept tot Gods koninkrijk ((?. A. van den Bergh van Eysinga, aldaar, bl. 225—271). Al deze beschouwingen slingeren, naar gelang hare voorstanders meer critisch of meer mystiek, meer historisch of meer philosophisch zijn aangelegd, tusschen den historischen Jezus en den idealen Christus heen en weer. Voor de eerstgenoemden blijft Jezus hoogstens een leeraar en voorbeeld, die geen aanspraak op den naam van Christus mag maken; voor de anderen wordt de Christus eene meer godsdienstige of meer wijsgeerige idee, die hoogstens met den historischen Jezus in een toevallig verband staat. Maar het eigenaardige van de Schrift ligt hierin, dat de historische Jezus van Nazareth tevens de Christus is, de Zoon des levenden Gods. Hugenholtz zegt wel, aldaar bl. 65, dat in Paulus ten duidelijkste blijkt, hoe het Christus-ideaal onafhankelijk van den historischen Jezus ontstond. Maar deze bewering is ten eenenmale onjuist en o. a. door Joh. Weiss, Paulus und Jesus, Berlin 1909 voldoende weerlegd, ook al mocht zijne meening niet houdbaar zijn, dat Paulus Jezus ook persoonlijk heeft gekend.

Sluiten