Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

heid, die straks weer door anderen onzeker gemaakt wordt, hebben wij niet genoeg. Hoezeer het waardeering verdient, dat zoovelen, van wie naar hnn beginsel anders te verwachten ware, nog een diep besef hebben van Jezus' zedelijke volmaaktheid, zooals Daub, Marheineke, Rosenkranz, Yatke, Schleiermacher, Beyschlag, Hase, Schenkel, Lipsius enz., toch is het geloof wankel, dat niet rust op het getuigenis der Schrift en daarom altijd door allerlei philosophische en historische bezwaren gedrukt en benauwd wordt. De Schrift doet ons echter in Christus niet alleen eene empirische zondeloosheid, maar ook eene noodzakelijke onzondigheid erkennen. Hij is de Zone Gods, de Logos, die in den beginne bij God en zelf God was ; Hij is één met den Vader en volbrengt altijd zijn wil en werk enz. 1). Voor wie dit van Christus belijdt, is de mogelijkheid van zondigen en vallen een Ungedanke a). Daarom hield de Christelijke theologie tegenover Arianen, Pelagianen, Nominalisten, zooals Scotus, Biel, Durandus, Molina enz. staande, dat Christus niet zondigen kon. Immers zou dan öf God zelf hebben moeten kunnen zondigen — wat blasphemie is ; óf de vereeniging van Goddelijke en menschelijke natuur wordt verbreekbaar geacht en feitelijk geloochend 3).

Daarmede is echter toch het wezenlijk onderscheid niet opgeheven, dat er bestaat tusschen de heiligheid Gods en de heiligheid van Christus als mensch. Daarop lettende, kon Jezus zeggen, dat niemand goed, de goedheid zelve is dan God alleen, Mt. 19 :16, 17, Mk. 10:17, 18, Luk. 18:18, 19 4). De goedheid of heiligheid van Christus naar zijne menschelijke natuur is geene Goddelijke, oorspronkelijke, maar zij is eene geschonkene, infusa; en daarom moest zij zich ook in den weg van strijd en verzoeking apenbaren, staande houden en bevestigen. De bonitas infusa sluit de bonitas acquisita niet uit. De laatste onderstelt de eerste; geen goede

') Verg. boven bl. 264.

2) Holtzmann, Neut. Theol. II 446. Frank, Chr. Wahrheit II2 178;

3) Augustinus, Enchir. c. 36, 40, 41. Lombardus, Sent. III dist. 12 en andere comm. op die plaats van Thomas, Bonaventura, enz. De Moor, Comm. III 692. Shedd, Dogm. Theol. II 330. Philippi IV 161v. Nösgen, Der einzige Reine unter den Unreinen. Gütersloh 1908.

4) Anderen vatten deze plaats zoo op, dat Jezus het lichtvaardig gebruik, om iemand goed te noemen, erin afkeurt, of denken bij goedheid niet aan de zedelijke volmaaktheid, maar aan de goedigheid of milddadigheid Gods, waarnaar Hij alleen de gever van alle goede gaven en volmaakte giften is.

Sluiten