Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

tA j

/Vwr\ 1 Yjuüücim'

vruchten dan van een goeden boom; maar de deugdelijkheid van den boom moet toch uitkomen in de gaafheid der vruchten. En zoo moest Christus ook zijn aangeboren heiligheid openbaren door verzoeking en strijd heen; deze worden door het non posse peccare niet overbodig of ijdel. Want al kon eigenlijke verzoeking niet van binnen, maar alleen van buiten tot Jezus komen, Hij had toch eene menschelijke natuur, die tegen lijden en dood opzag. Zoo werd Hij dan heel zijn leven door op allerlei wijze verzocht, door Satan, zijne vijanden, zelfs door zijne discipelen, Mt. 4:1—11, Mk. 1:13, Luk. 4 :1—13, Mt. 12 : 29, Luk. 11: 22, Mt. 16 : 23, Mk. 8 : 33 *). En in die verzoekingen had Hij zich strijdende staande te houden; heïTnon posse peccare was geen dwang, maar was ethisch van aard en moest daarom ook op ethische wijze tot openbaring komen.

Hetzelfde geldt van de macht van Christus. Ofschoon als de Zone Gods almachtig, was Hij toch beperkt, wat aangaat de macht zijner menschelijke natuur. De Monophysieten onderscheiden deze beide niet, en laten de twee naturen, de twee willen en de onderscheidene macht in elkaar opgaan. Maar Schrift en kerk maakten tusschen beide onderscheid en laten de twee naturen zoo verbonden zijn, dat in het ééne Godmenschelijk werk elke natuur doet wat het hare is. En daarom komt het doen van wonderen, het vergeven van zonden, het schenken van eeuwig leven en alwat behoort tot het Middelaarswerk, niet alleen aan zijne Godheid, maar ook aan zijne menschheid toe. Daarom schrijft Christus juist als Zoon des menschen, als Messias, zich deze macht der vergeving en des oordeels toe, Mt. 9 : 2—8, Joh. 5 : 27. Er gaat bij aanraking kracht van Hem uit, Luk. 6:19. Zijn vleesch is het brood, dat der wereld het leven geeft, Joh. 6:51. De Vader heeft Hem alle dingen in zijne hand gegeven, Joh. 3:35, 13:3, 17:2. Niemand kan de schapen uit zijne hand rukken, evenmin als uit de hand des Vaders, Joh. 10:28—30. Evengoed als de Vader hoort Hij het gebed, Joh.

x) De verzoeking, waaraan Jezus volgens den brief aan de Hebreen 2 :18,4 :15, bloot stond, lag niet op zedelijk terrein in engeren zin en was geene verleiding tot zonde, maar bestond daarin, dat het veelvuldige en zware lijden, dat Hij te verduren had, Hem op de proef stelde, of hij in zijn Messiasschap, in zijn Heilandsberoep, in zijn ambt als Zaligmaker ten einde toe volharden zou. Maar Jezus was en bleef Christus; Hij leerde gehoorzaamheid, niet in dien zin, dat Hij van ongehoorzaam allengs gehoorzaam werd, maar zoo, dat Hij in en door het lijden zyöe~ volmaakte gehoorzaamheid steeds meer met de daad bewees. Verg. Karl Bornliauser, Die Yersuchungen nach dem Hebraerbriefe. Leipzig 1905.

Sluiten