Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Erlösung I 1—2. Leipzig 1907. Loofs, Dogmengesch.4 1906 passim. Anselmus, Cur Deus homo. Lombardus e. a. op Sent. III dist. 18 20. Thomas, S. Theol. III qu 22. 46—50. Bonaventura, Brevil. IV c. 7—10. BeUarminus, de Christo 1. V. Petavius, de incarnatione 1. XII, XIII. Theol. Wirceb., IV 306 v. Scheeben, Dogm.

111 309 v. Heinricli, Dogm. VII 776 v. Kleutgen, Theol. der Vorzeit III 335 v. Pesch, Prael. Dogm. IV 198 v. Simar, Dogm.3 bl. 441 v. Jansen, Theol. dogm. II 708 v. Mannens, Theol. II 441 v. K. Staab, Die Lehre v. d. stellvertr. Genugthuung Christi, hist. crit. dargestellt. Paderborn 1908. Luther bij Köstlin, II 402 v. en Thomasius, Christi Person und Werk II 168 v. Melanchton, bij Thomasius II184 v. Gerhard, Loei 1. IV c. 15. Quenstedt, Theol. III450—460. Hollaz, Ex. bl. 728—764. Buddeus, Inst. Theol. bl. 806—859. Calvijn, Inst. II 15—17. Polanus, Syst. VI c. 27—29. Maccovius, Coll. theol. I 228 v. Voetius, de merito Christi, Disp. II 228-284. Turretinus, Theol. El. XIV. De Moor, Comm. III842 v. M. Vitringa,

Doctr. Y 315 v. VI 5 v.

Schleiermacher, Chr. Gl. § 101—104. Rothe, Theol. Ethik § 541—558. Martensen, Dogm. § 156—169. Lange, Dogm. II 813—908. Bomer, Chr. Gl. II 612v. Thomasius, Christi Person und Werk II. Philippi, Kirchl. Gl. IV 2. Frank, Christi. Wahrheit

112 157 v. Kahler, Die Wiss. der Chr. Lehre 3 bl. 343 v. Id., Zur Lehre von der Versöhnung. Leipzig 1898. Bitschl, Rechtf. u. Vers. III vooral c. 6—8. Herrmann, Der Verkehr des Christen mit Gott 1886 b). 930. Kaftan, Wesen der chr. Rel. bl. 246 v. Dogm. bl. 446 v. A. Seeberg, Der Tot Christi in s. Bedeutung für die Erlösung. Leipzig 1895. H. Bushnell, Vicarious sacrifice grounded in principles of universal obligation. New-York 1866. Macleod Campbell, The nature of the atonement6 1866. Dale, The atonement18 London 1896. Moberly, Atonement and Personality. London 1907. G. B. Stevens, The Christian doctrine of salvation. Edinburgh 1905. Sabatier, La doctrine de 1'expiation et son évolution historique. Paris 1903. Ménégoz, La mort de Jézus et le dogme de 1'expiation, Paris 1905.

374. Bij alle volken treffen wij een besef van zonde en ellende aan, en allen hebben zij ook eene behoefte aan en eene hope op verlossing; het optimisme is onmachtig, om het eerste feit te niet te doen en den mensch volkomen met zichzelf en met de wereld te verzoenen; en het pessimisme slaagt er nimmer in, om het tweede feit ongedaan te maken, en de hoop voor de toekomst uit het menschelijk hart uit te roeien. Voorts is ons vroeger gebleken, dat de verwachting eener komende verlossing in vele godsdiensten aan een persoon verbonden is en bepaaldelijk op de verschijning van een koning gebouwd is 1). Thans kan er nog aan toegevoegd worden, dat de idee eener verlossing schier altijd met die eener verzoening gepaard gaat. De verlossing is n.1. in de eerste en voornaamste plaats een religieus begrip en komt dan ook in alle godsdiensten voor. Wel beschikt de mensch over vele middelen,

*) Verg. boven bl. 247.

Sluiten