Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

eten van liet vleesch (nieren, vet enz.) en het drinken van het bloed van een dier of bij het kannibalisme van een ander mensch, het middel was, om ook de psychische, verstandelijke of zedelrj e eigenschappen van dat andere wezen zich toe te eigenen. Wijl nu verder bij vele stammen het totemisme heerschte, dat is, de vereering van dieren als heilige, in de goddelijke natuur deelende wezens, kwam men allengs tot de gedachte, dat het eten van het vleesch en het drinken van het bloed van een dier (of van een mensch) een middel was, om zich met de in het dier wonende goddelijke krachten te versterken, en tegelijk, om, door aan de goden de beste stukken van het offer aan te bieden en hen aan den maaltijd te laten deelnemen, hunne vijandige gezindheid te bezweren en hunne gunst deelachtig te worden. Der Mensch der mit dem Fleisch eines andern oder eines Tieres dessen Kr aft e zu gewinnen glaubt, will nun im Opfer den Damon oder Gott dadurch versöhnen oder für seine Wünsche gewinnen, dass er ihn am Genuss teilnehmen lasst. Darum vereinigt das blutige Opfer ursprünglich stets beide Seiten: die Darbringung des Opfertiers oder des geopferten Menschen als Speise für den Gott und den Genuss des Opferfleisches von seiten des Opfernden v). Nadat op deze wijze de zoenofferidee was opgekomen, werkte zij dan weer op hare beurt op het karakter der offeranden terug; zij werd de oorzaak, dat langzamerhand aan het bloedige offer de voorkeur werd gegeven, dat het bloed hoe langer hoe meer beteekenis bij de offeranden verkreeg, dat het dieroffer in vele bijzondere gevallen voor het

menschenoffer plaats ging maken 2).

Zoo heerscht er dus over oorsprong, wezen en bedoeling deiofferanden allerlei verschil van gevoelen. De een acht de bloedige, de ander de onbloedige offers de oudste; volgens sommigen werden de offers oorspronkelijk geheel, volgens anderen slechts ten deele verbrand; naar het oordeel van dezen zijn de offeranden uit de offermaaltijden, volgens genen juist omgekeerd de laatste uit e eerste ontstaan; eenigen achten het plaatsvervangend karakter van huis uit aan de offeranden eigen, maar anderen meenen, dat het er later bijgekomen is. Bij dezen stand van zaken is het te begrijpen, dat Lagrange zich van eene besliste keuze onthoudt 8), en dat Tiele de

i) Wundt, Mythus und Religion II. Leipzig 1906 bl. 330.

,) W. B. Smith, Die Religion der Semiten bl. '271 v. J. G. Frazer, The golden bough 2. Londen 1900. Verg. Hastings D. B. IV 331. 332.

■) Lagrange, Etudes sur les religions Sémitiques. Paris 1903 bl. 24 —

Sluiten