Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

opmerking maakt, dat men bij het onderzoek niet van ééne bepaalde categorie van offers moet uitgaan, want er hebben altijd en overal allerlei offers naast elkander bestaan *). Deze opmerking is zonder twijfel juist; de mensch offert verschillende voorwerpen (granen, vruchten, dieren, menschen enz), wordt daarbij door verschillende motieven geleid (eerbied, dankbaarheid, schuldgevoel, vrees enz), en tracht er ook telkens een verschillend doel mede te bereiken (stilling van den toorn der Godheid, afwering van eenig kwaad, verwerving van eene bepaalde gunst). Evenals bij de religie, zal het ook bij de offeranden wel hoogst moeilijk vallen, eene theorie te vinden, die ze alle omvat en ze alle uit één principe verklaart. Maar hoe dit zij, opmerkelijk is in elk geval de algemeene, diepe, machtige drang, die alle menschen in alle tijden en plaatsen tot het brengen van offeranden drijft. Die drang gaat uit van het onuitroeibaar besef, dat de mensch tot de onzichtbare, goddelijke macht m eenige betrekking staat, hetzij deze verzoend of onverzoend zij, en dat hij door zijne offerande op de Godheid eenigen invloed oefenen kan. Zoozeer staat in den cultus het offer op den voorgrond, dat de Yedische godsdienst er van spreken kan als de navel der wereld 2).

De H. Schrift verhaalt dan ook, dat het offer al bestond van den oudsten tijd der menschheid af. Vóór den val maakt zij er geene melding van. Toch is er niets ongerijmds in de gedachte, dat ook toen het offer in ruimeren zin behoorde tot de elementen van den cultus, evengoed als het gebed. Offerande in ruimeren zin is toch naar de omschrijving van Augustinus, omne opus, quod agitur, ut sancta societate inhaereamus Deo 3). Als zoodanig paste het ook aan den mensch in den status integritatis. Hij was toch naar Gods beeld geschapen in ware kennis, gerechtigheid en heiligheid;

ij was profeet, priester en koning en moest als zoodanig Gods naam verheerlijken, zichzelf met al het zijne Gode wijden, en alles regeeren en besturen naar den wille Gods; hij ontving ook in den Sabbat een bijzonderen dag voor den dienst van God en had daartoe bepaalde vormen van cultus noodig; er is niets vreemds in, als daartoe behalve het gebed ook de offerande behoorde. Wel kan de mensch eigenlijk Gode niets geven, want de aarde is des Heeren,

!' Tiele, Inleiding tot de godsdienstwet.2 II 126—134. -) Ch. de la Saussaye, Religionsgesch. 1 3 33. 3) Augustinus, de civ. Dei X 6.

Sluiten