Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De voorstellingen, die wij bij de kerkvaders over het lijden van Christus aantreffen, keeren in de scholastiek terug 1). Maar Anselmus' geschrift Cur Deus homo gaf toch aan de satisfactorische opvatting een overwicht over alle andere. Het nieuwe van Anselmus bestond niet daarin, dat hij Christus' dood als eene offerande voor onze zonden beschouwde. Doch terwijl men vroeger meest gezegd had, dat de menschwording en voldoening niet absoluut noodzakelijk maar alleen conveniens 2) was, zocht Anselmus naar een grond, om het tegendeel te betoogen. Hij vond dien daarin, dat op de zonde altijd aut poena aut satisfactio volgen moet en dat, indien God de menschheid vergeven en behouden wil, geen ander dan een Godmensch die satisfactio aan God brengen en zijne eer Hem teruggeven kan. Omdat Christus echter Godmensch was, was zijn gansch vrijwillige dood van zoo groote waarde, dat Hij niet alleen bevrijdde van straf, maar bovendien ook nog verdiende; en die verdienste stond Hij, wijl Hij ze zelf niet behoefde, voor de menschheid af, in wier plaats Hij Gode de eere teruggegeven had 3). Onveranderd nam niemand deze beschouwing van Anselmus over. De absolute noodzakelijkheid van Christus' menschwording en voldoening werd meestal ontkend; Duns Scotus stond geheel aan de

491—553: Zu Augustins Anschauung von der Erlösung durch Christus, en bracht er ernstige bedenkingen tegen in. Terwijl Gottschick tracht aan te toonen, dat er wel eenheid is in de leer van Augustinus over de verlossing door Christus, en dat hij ze voornamelijk laat bestaan in de verwerving van de vergeving der zonden en de gave des H. Geestes, doordat Christus als hoofd der menschheid de straf voor haar droeg, houdt Scheel staande, dat Augustinus zich aan den invloed van het Neoplatonisme niet heeft weten te ontworstelen, dat hij naast de ethische ook steeds de physische opvatting van de verlossing heeft gehandhaafd, en dat hij dus in veel mindere mate de beschouwing van Anselmus en de Reformatie heeft voorbereid, dan Gottschick het voorstelt. Verg. ook Loofs, Dogmengesch. bl. 356 v. 399 v.

l) Gottschick, Studiën zur Versöhnungslehre des Mittelalters, Zeits. f. Kirchengesch. 1901. 1902. 1903.

,2) Zoo ook Augustinus, bij Gottschick, Zeits. f Th. u. K. 1901 bl. 158-166.

3) E. von Moelier, Die Anselmsche Satisfactio und die Busse des germ. Strafrechts, Theol. Stud. u. Krit. 1899 bl. 627—634, houdt tegen H. Cremer, in Th. Stud. u. Krit. 1880 en 1893 en tegen Kunze, art. Anselmus in PRE 3 1 569 staande, dat de eerste niet uit de laatste is voortgekomen, cf. Loofs, Dogmengesch. bl. 505 v. B. Funke, Grundlagen und Vorauszetzungen der Satisfaktionstheorie des H. Anselm v. Canterbury. Munster 1903. Leipoldt, Der Begriff meritum in Anselms von Canterbury Versöhnungslehre, Theol. Stud. u. Krit. 1904 bl. 300—308. L. Heinrichs, Die Genugthuungstheorie des H. Anselmus v. C., neu dargestellt und geprüft.

Sluiten