Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

moderne theologen weinig instemming met zijne stelling, dat de uitdrukking „vergevende liefde" eene contradictie in adjectis is en niets beteekent 1).

Ten derde is God zeer zeker Vader der menschen, maar deze naam geeft lang niet de gansche verhouding weer, waarin God tot zijne schepselen staat. Hij is ook Schepper, Onderhouder, Regeerder. Souverein. Wetgever, Rechter enz., en het is eenzijdig en tot dwaling leidende, indien men in één dezer namen met voorbijzien der andere de volle openbaring Gods aanschouwt. Zoo is God ten opzichte der zonde geen schuldeischer en geen beleedigde partij alleen, die de schuld kwijtschelden en de beleediging vergeten en vergeven

) Bijblad van de Hervorming 28 Juni 1895. Op eene andere wijze wordt de vrijheid der vergeving beperkt door Gaston Frommel, La psychologie de pardon dans ees rapports avec la croix de Jésus-Christ. Van de zijde van den ontvanger is vergeving gebonden aan berouw (erkentenis en belijdenis van schuld, verootmoediging en dus in zekeren zin réparation); vergeving zou zonder berouw niet aangenomen worden, en zou, zonder berouw geschonken, ook geene zedelijke daad zijn. Nu verdient het berouw de vergeving wel niet — le pardon nest pas dü a la repentance, mais il n est accessible qu' a la repentance — maar berouw moet toch beantwoorden aan de zwaarte der zonde, en is altijd tot zekere hoogte eene voldoening aan de gerechtigheid. Een volmaakt berouw zou zijn une expia tion complete; la réalité de la repentance, e est 1'expiation; en als zoodanig trekt het berouw de vergeving aan en lokt ze uit. Nog sterker drukt Moberly, Atonement and Personality bl. 48—73 zich uit; vergeving is nooit inconditioneel, maar onderstelt altijd in den schuldige berouw, dat is eigenlijk een nieuwen mensch, die met zijn verleden gebroken heeft en nu zelf buiten en tegenover zijne zonde staat. \ ergeving onderstelt m. a. w. in den schuldige sforgiveableness", "e'ke echter volgens Moberly niet uit den mensch zelf opkomt, maar in hem gewerkt wordt door den Geest van Christus), en deze «forgiveableness" maakt dan de vergeving van den kant van den beleedigde noodzakelijk. Of God al dan niet vergeeft, depends wholly and only upon whether the man is or is not forgiveable. Is hij het niet, dan kan en mag hem niet vergeven worden; is hij het wel, dan mag en moet hem vergeven worden, bl. 56. 57. De fout van deze redeneering ligt ten 1° hierin, dat de zonde eenzijdig als eene private beleediging opgevat, en in haar karakter van misdaad, wetsovertreding, aanranding van de gerechtigheid miskend wordt, en 2° daarin, dat berouw min of meer met verzoening vereenzelvigd wordt. Berouw, dat bijv. na de gepleegde daad in den misdadiger opkomt, kan wel aantoonen, dat hij zoo slecht niet was als de rechter misschien te voren had gedacht en dus in diens bewustzijn de zwaarte der schuld en der straf verminderen; maar het is uit den aard der zaak onmachtig, om het verleden goed te maken en de schuld uit te wisschen. Later komt dit nog breeder ter sprake, evenals ook het andere punt, door Frommel aangeroerd, dat de vergeving ook van de zijde van hem, die haar schenkt, aan bepaalde voorwaarden gebonden is.

Sluiten