Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

uitnemendheid ; de navolging van Christus bestond in een copiëeren en nabootsen van daden en toestanden uit zijn leven, bepaaldelijk uit zijn lijden, Christus was de groote lijder, de verheven martelaar, wiens lijden voorwerp van contemplatie en imitatie moest zijn Bij Anselmus bestond de voldoening van Christus, daar Hij tot gehoorzaamheid aan G-ods wet al voor zichzelf verplicht was, alleen in zijn lijden en sterven, dat door Hem als een opus supererogationis aan zijn leven toegevoegd en als een vrijwillig geschenk aan den Vader aangeboden werd. De Roomsche theologie spreekt zich over de actieve gehoorzaamheid van Christus niet eenstemmig en ondubbelzinnig uit. Trente maakt wel melding van de sanctissima passio van Christus 2), maar de theologen verwerpen ze geheel of vatten ze toch zoo op, dat Christus niet in onze plaats de wet Gods vervuld heeft 3). Ook onder de Protestanten komen bij Mystieken, Wederdoopers, Herrnhutters enz., opvattingen van het lijden van Christus als Etwas Sachliches voor, die aan zijne actieve gehoorzaamheid te kort doen. Zelfs Parsimonius en Piscator loochenden haar 4), wijl Christus reeds voor zichzelf tot deze gehoorzaamheid verplicht was en deze gehoorzaamheid dus wel een neccessarium requisitum personale was, ons ten goede, nostro bono, maar geen bestanddeel van zijne voldoening, nostro loco volbracht; omdat de H. Schrift altijd aan het lijden en sterven van Christus alleen onze gansche zaligheid, beide de vergeving der zonden en het eeuwige leven, verbindt; en omdat de geloovigen, ook al hebben zij de vergeving en het eeuwige leven, toch tot onderhouding der wet verplicht blijven. De Lutherschen zagen hierin Nestorianisme en zeiden, dat de persoon van Christus naar beide naturen Heer der wet was, en dus ook niet als mensch vanzelf voor zijn persoon aan de wet onderworpen was 5).

Maar de Gereformeerden konden alzoo niet spreken, wijl Christus als waarachtig mensch wel zeker verplicht was, om de wet te onderhouden, en God lief te hebben boven al en den naaste als zichzélf. Toch verwierpen zij terecht het gevoelen van Piscator.

Zöckler, Askese und Mönchthum 11897 bi. 145 v. Moll, Joh. Brugman II1—97. *) Conc. Trid. VI c. 7.

3) Bellarmmus, de Justif. I 2. de Christo V 9. Bossuet, Gesch. der veranderingen v. d. Prot. kerken, vert. door Berends 1829 II 340. Scheeben, Dogm. III 321. 341_

4) Verg. boven bi. 376.

6) Gerhard, Loei Theol. XVI 57. 59. Quenstedt, Theol. III 284. Schneckenburger, Zur kirchl. Chrietol. bl. 58—73. Ritschl, Rechtf. u. Vers. 1 2 274.

Sluiten