Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

invloed, die van zijn persoon uitgaat, dien nieuwen godsdienstigzedelijken toestand in de wereld, waarin de menschen van de zonde afgeschrikt, door de liefde Gods aangetrokken worden, tot berouw, geloof en bekeering komen en in dien weg de vergeving hunner zonden en een nieuw leven deelachtig worden. Christus verwierf die weldaden niet actueel, maar potentiëel; Hij schiep niet de werkelijkheid, maar de mogelijkheid onzer verlossing; door de geestelijke en zedelijke kracht, welke van Hem uitgaat, moge Hij ons tot bekeering en alzoo tot de zaligheid leiden, maar Hij is toch onze eenige, volkomene en algenoegzame Zaligmaker niet. Deze voorstelling nu komt niet overeen met de rijke en diepe gedachte, welke de Schrift steeds aan den dood van Christus verbindt.

Reeds aanstonds is dit opmerkelijk, dat men op het standpunt der mystische en ethische theorieën bij Jezus liefst van een beroep spreekt en den naam van ambt vermijdt. Tusschen beide bestaat een groot verschil. Indien Jezus een beroep uitoefende of alleen aan eene inwendige roeping bij zijn optreden en werkzaamheid gehoor gaf, dan valt daarbij zeker de leiding van Gods voorzienigheid niet weg, maar is er toch van eene geheel eenige openbaring Gods bij Hem geene sprake meer. Hij moge in religieuzen en ethischen zin hoog boven ons uitmunten en ons allen verre vooruit zijn, toch staat Hij principiëel genomen niet boven, maar naast ons; Hij is onze aanvoerder en leidsman, maar wij hebben toch den plicht en de kracht, om naar zijn voorbeeld ons te conformeeren en zijne voetstappen te volgen. Daarentegen, als Christus gezalfd is tot profeet, priester en koning, dan is Hij door God aangesteld, heeft van Hem een werk ontvangen om te doen, en staat met gezag boven ons, om ons te leeren, om ons voor Gods aangezicht te vertegenwoordigen, en om ons te regeeren naar zijnen wil1). Het ambt is bij Christus geene beeldspraak, want Hij wierp zichzelf niet op tot hoogepriester, maar werd er door God toe geroepen en aangesteld, Hebr. 5:4, 5; en profeet, priester en koning was Hij niet in schijn of in naam slechts, maar werkelijk en metterdaad; Mozes, Aaron, David en zoovele profeten, priesters en koningen er in het Oude Verbond optraden, waren schaduwen en voorbeelden van hetgeen Christus in waarachtigen zin eeuwiglijk was en is en blijven zal, Hebr. 3:6, 5:5, 10 :12 enz.

Van meer beteekenis is, dat op het genoemde standpunt het

*) Hugh Martin, The atonement. Edinburgh z. j. bl. 104 v.

Sluiten