Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

\ erder neemt het lijden en sterven in de Schrift zulk eene bijzondere plaats in, dat het niet als een accidens van zijne beroepstrouw kan worden opgevat. Aan de beschrijving daarvan is naar evenredigheid verreweg het grootste gedeelte der Evangeliën gewijd. En het wordt niet beschreven als een martelaarschap, maar als een gericht Gods, als de wil des Vaders, als de offerande eens priesters. Hij sterft niet voor zijn geloof, maar wordt rechtelijk veroordeeld, wijl Hij beweert, de Zone Gods, de Messias te zijn. Hij gaat niet verheugd den dood tegemoet, maar is ontroerd, bedroefd, verbaasd, beangst tot den dood toe, en is in zwaren strijd, zoodat zijn zweet werd gelijk druppelen bloeds, Mt. 26:37, 38, Mk. 14:33, Luk. •22:44, Joh. 12:27. Dat is niet de houding van een wijze, die kalm den dood onder de oogen ziet, noch van een lijder, die roemt in de verdrukkingen, noch van een martelaar, die juichende het schavot beklimt of psalmen zingt op den brandstapel. Het lijden en sterven van Christus draagt een exceptioneel karakter; si la vie et la mort de Socrate sont d'un sage, la vie et la mort de Jésus sont d'un Dieu (Rousseau). Bijzonder komt dit uit in de bange klacht, welke Jezus aan het kruis over zijne Godverlatenheid slaakt, Mt. 27:46. Sommigen hebben dit kruiswoord wel opgevat als eene wanhoopskreet, dat zijn zaak verloren was en God Hem verlaten had Wolfenb. fragmenten), of louter subjectief verstaan van zijn zuiver menschelijk gevoel der momentanen psychischen Ueberwaltigung vom höchsten Schmerze in der Todesnoth (Meyer t. p.), of, zij het ook op verren afstand, vergeleken bij de kreet eener moeder, wier hart breekt onder de schande van haar kind, maar die toch door hare groote liefde die schande op zich neemt, en

op het gebedsleven van Christus terecht de aandacht gevestigd. Wel werd er ook vroeger over gehandeld, verg. bijv. Thomas, S. Theol. III qu. 21, maar voor de kennis van Jezus als mensch is er nog te weinig gebruik van gemaakt. Toch maken de Evangeliën er telkens gewag van, dat Jezus zich afzonderde om te bidden, in het geheel niet minder dan veertien malen, van het begin tot het einde, en vooral bij gewichtige gebeurtenissen in zijn leven, bijv. bij zijn doop, Luk. 3 :21, vóór zijne eerste botsing met de Farizeën, 5:16, bij de keuze der twaalven, 6 :12, vóór de eerste duidelijke verkondiging van zijn Messiasschap, 9 :18, bij de verheerlijking op den berg, 9:23, vóór het onderwijs in het gebed aan zijne discipelen, 11:1, vóór en na de spijziging der vijfduizend, Mk. 6:41, 46, bij de opwekking van Lazarus, Joh. 11:41, in het hoogepriesterlijk gebed, Joh. 17, in Gethsemané, Mt. 26 : 39, en aan het kruis, Luk. 23:34. Verg. art. Prayer, Sastings, Dict. of Christ. II 391.

Sluiten