Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

is Christus de Heere, die bij zijne wederkomst aan de zijnen barmhartigheid ten eeuwigen leven bewijzen zal, 4, 21. Veelmeer dan op het leven, valt daarom bij de apostelen op den dood van Christus de nadruk ; het kruis staat in het middelpunt van hun Evangelie, 1 Cor. 2 :2, Gal. 6:14. Al mag het lijden en sterven van Christus niet van zijn persoon worden losgemaakt, het is toch bepaald door God als zoodanig gewild en door den Zoon Hem als een offerande aangeboden. Het vormt in het leven van Christus niet een toevallig, alleen door de omstandigheden noodzakelijk geworden, maar een wezenlijk, onmisbaar bestanddeel; daardoor voornamelijk, als voleindiging zijner gehoorzaamheid, is de verzoening der zonden, de gerechtigheid en de eeuwige zaligheid verworven.

Tegen deze verwerving der heilsgoederen door den dood van Christus is echter de bedenking ingebracht, dat God ons niet propter, maar alleen per Christum de genadeweldaden schenkt '). De Lutherschen schepten er zelfs behagen in, om de Gereformeerden ervan te beschuldigen, dat zij krachtens hunne praedestinatieleer de voldoening van Christus moesten loochenen en Hem alleen konden beschouwen als causa instrumentalis der zaligheid : immers erkenden de Gereformeerden ook zelf, dat Christus niet fundamentum et causa electionis was 2), want de verkorenen waren al voorwerp van Gods liefde, eer Christus als hun Middelaar was aangesteld, en waren dus verkoren niet om, maar in en tot Christus 3). Maar deze beschuldiging is toch ongegrond. Christus was zeer zeker openbaring en bewijs van de liefde des Vaders; logisch gaat onze verkiezing tot zaligheid aan zijne verkiezing tot Middelaar vooraf, en God is niet eerst door Christus, maar van eeuwigheid uit zichzelven bewogen, om zondaren lief te hebben en hun de vergeving en het eeuwige leven te schenken. Maar hierin bestaat juist de liefde des Vaders, dat Hij die zaligheid, welke Hij voor zondaren bestemd heeft, in den tijd voor hen laat verwerven door zijn eigen Zoon en ze alzoo hun schenkt en schenken zal in overeenstemming met zijne eigene gerechtigheid. Gods genade doet dus de genoegdoening en de ver-

*) Zoo vroeger reeds Socinus e. a. en in dezen tijd Scholten, L. H. K. I 20 II. 426 v. Gottschick, Propter Christum, Zeits. f. Theol. und Kirche 1897 bl. 352—384. Verg. ook Stuclcert, Propter Christum, ib. 1906 bl. 143 173.

®) Verg. deel II 420 v.

3) Gerhard, Loc. XVI de justif. § 36. Schneckenburger, Zur kirchl. Christol. 1848 bl. 45 v. Id., Vergl. Darstellung II 264 a. Schveizer, Gl. d. ev. ref. IC. II 379. 389. Reuter, Augustinische Studiën 1887 bl. 52.

Sluiten