Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

volkomen heeft bevrijd; het kruis staat daarom in het middelpunt van het Evangelie, 1 Cor. 1: 23, 2:2, Gal. 6 :14 1). Het bloed, dat Christus vergoot, bewijst, dat Hij zijn leven vrijwillig Gode heiligde2), dat Hij het bracht als eene offerande, en daardoor de verzoening en den vrede tot stand bracht, Mt. 26 : 27, Hd. 20 : 28, Rom. 3 : 25, 5:9, Ef. 1:7, Col. 1 : 20, Hebr. 9 : 12, 22 3). Ten slotte heeft ook de begrafenis van Christus eene bijzondere beteekenis; zij wordt herhaaldelijk vermeld, Jes. 53 : 9, Mt. 12 : 40, 27 : 59, 60, Luk. 11: 29, 23 : 53, Joh. 19 : 40—42, Hd. 13 : 29, 1 Cor. 15 : 3, 4. Ze is niet alleen bewijs daarvan, dat Hij waarlijk gestorven en dus ook uit den dood opgestaan is, maar hare beteekenis ligt vooral hierin, dat Christus, ofschoon zijn geest overgevende in de handen zijns Vaders, die Hem opnam in het paradijs, Luk. 23 :43, 46, toch drie dagen verkeerd heeft in den staat des doods, tot het rijk der dooden behoord heeft, en alzoo de straf der zonde, Gen. 3:19, ten volle gedragen heeft. Aan dien staat des doods, den hades, is Hij niet overgelaten, zijn vlëësch heeft geene verderfenis gezien, Hij is immers ten derden dage opgewekt. Maar Hij behoorde toch van zijn sterven af tot het oogenblik zijner opstanding toe tot de dooden en heeft dus een tijd lang in den hades verkeerd, Mt. 12 : 40, Hd. 2 : 27, 31 4).

393. Andere plaatsen der Schrift zijn er niet, die van de begrafenis van Christus of van zijn verblijf in den staat des doods spreken. Toen later in de Christelijke kerk de belijdenis opkwam van Christus1 nederdaling ter hel, heeft men wel naar bewijsplaatsen in de Schrift omgezien en op tal van teksten, zooals Hos. 13 :14, Ps. 16 : 10, Hd. 2 : 27, 31, Mt. 27 : 52, Luk. 23 : 43,

De Moor, Comm. IV 77 v. M. Vitringa, Doctr. V 577. Zöckler, Das Kreuz Ghristi 1875. Schultze, art. Kreuz und Kreuzigung, PRE3 XI 90 v. Robertson, art. Cross, en David Smith, art. Crucifixion in Hastings, Dict. of Chr. II 394 v. 397 v.

-) Non infirmitatej sed potestate mortuus est, Augustinus, de nat. et gr. 26.

3) P. Cassel, Die symbolik des Blutes. Berlin 1882. H. C. Trumbull, The blood covenant. London 1887. Id., The threshold covenant. Philad. 1896. Oesterley, art. Blood in Hastings, Dict. of Christ I 214—216. Evenals het hart van Jezus, is ook ziin bloed in de Roomsche Kerk een voorwerp van godsdienstige vereering; en tal van genootschappen zijn speciaal aan dien dienst gewijd, Buchberger, Kirchl. Handlexikon. München 1907 I 670.

4) De Moor, Comm. IV 103 v. M. Vitringa, Doctr. V 584. Milligan, art. Burial in Hastings, Dict. of Christ I 241—242.

Sluiten