Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

aan de vromen des Ouden Testaments 1). Clemens Alexandrinus is dan de eerste, die deze leer met 1 Petr. 3 :18—22 in verband brengt en voorts bij de ontslapenen, aan wie Christus het Evangelie brengt, niet alleen aan Israelietische vromen, maar ook aan rechtvaardige Heidenen denkt 2). Misschien mag uit deze bij de oudste kerkelijke schrijvers telkens voorkomende gedachte worden afgeleid, dat de leer van de nederdaling ter helle ontstaan is als antwoord op de vraag, waar de vromen des Ouden Testaments en dan verder ook de in Christus ontslapenen vertoefden tot den dag van Jezus1 wederkomst. Naarmate deze langer op zich liet wachten, rees die vraag in gewicht, en men vond troost in de gedachte: in hoe Christus inferos adiit, ne nos adiremus; Christus bewaarde de zijnen voor den hades, door er tijdens zijn gestorven-zijn zelf in af te dalen s).

Daar kwam nog bij, dat het woord hades allengs eene andere beteekenis aannam. De uitdrukking, dat Christus neergedaald was in den hades, kon alleen opkomen in een tijd, waarin dit woord nog het Jenseits in het algemeen aanduidde en nog niet de beteekenis van hel had verkregen. Want dat Christus in de plaats der pijniging, in de eigenlijke hel, was neergedaald, is eene gedachte, die nergens in de H. Schrift wordt gevonden en ook bij de oudste kerkelijke Schrijvers niet voorkomt. De wijziging echter, welke de beteekenis van den hades onderging en die hier en daar in Oud en Nieuw Testament reeds voorbereid wordt, bijv. in Jes. 14 : 11, Luk. 10 : 15, 16:23, zette zich later voort in de kerkelijke litteratuur en deed hades hoe langer hoe meer in gehenna (hel, plaats der pijniging) overgaan. Vandaar, dat meer en meer de voorstelling opkwam, dat de geloovigen bij het sterven niet naar den hades gingen, maar naar het paradijs 4); dat Christus' hadesvaart wel vastgehouden werd, maar in dien zin werd verstaan, dat Hij naar eene bepaalde afdeeling in die hades, den later zoogenaamden limbus patum, was gegaan, en de vromen des Ouden Testaments vandaar naar het paradijs of den hemel had overgebracht5); en dat Augustinus, die van eene prediking van het Evangelie aan goddelooze afgestor-

!) Justinus, Dial. c. Tr. c. 72. Tertullianus, de an. c. 55. Irenaeus, adv. haer. III 20, 4. 22. 4. IV 22, 1. 27, 2. V 31, 1-2.

2) Clemens Alex., Strom. VI 6.

3) Kattenbusch, Der geschichtliche Sinn des apost. Symbols, Zeits. f. Th. u. K. Oct. 1901 bl. 407—428.

4) Origenes, in Reg. hom. 2, verg. c. Cels II 43.

5) Sastings, Diet. of Christ. I 714.

Sluiten