Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

noch voor eene verhooging van Christus eene plaats in haar stelsel over 1). Volgens het monopbysitisme mocht er na de menschwording bij Christus niet meer van twee naturen, maar slechts van eene Godmenschelijke natuur gesproken worden; deze leer leidde echter tot een verschil over de vatbaarheid van Jezus' menschelijke natuur, om te lijden en te sterven, Severus en zijne aanhangers hielden daaraan nog vast (phthartolatri), maar Julianus en de zijnen trokken de consequentie uit het monophysitisch beginsel en leerden, dat het lichaam van Christus van het oogenblik der vereeniging met de Godheid af, d<pihccQ%ov was en in aard geheel gelijk aan het lichaam, dat Hij door de opstanding ontving. De vatbaarheid voor lijden en sterven was dus aan Christus niet van nature eigen, maar berustte op zijn vrijen wil. Nog vreemder was de consequentie, waartoe anderen kwamen, als zij zeiden, dat de menschelijke natuur van Christus, van het oogenblik harer vereeniging met de Godheid af, ongeschapen was geworden (aktisteten) 2). Daardoor werd de menschwording eigenlijk in de eeuwigheid verlegd, en de historische verschijning van Christus vervluchtigd tot symbool eener eeuwige idee.

Maar ook die theologen, die zich op den bodem van het Chalcedonense plaatsten, kwamen voor ernstige moeilijkheden te staan. Want wanneer men lette op de waardigheid en eere, waartoe de menschelijke natuur in Christus door hare nauwe vereeniging met den Logos verheven was, dan moest men haar wel toegerust denken met allerlei buitengewone gaven en krachten. En toch moest diezelfde menschelijke natuur, om in vereeniging met den Logos het werk der zaligheid tot stand te kunnen brengen, zoo zwak en nederig gedacht worden, dat ze niet alleen zuiver menschelijk bleef, maar zelfs lijden en sterven kon. Reeds vroeg kwam het daarom in gebruik, om bij den persoon van Christus, nadat de leer der twee naturen was behandeld, eerst te spreken over de dotes zijner menschelijke natuur en daarna over hare defectus 3). Bij de dotes werd dan in het licht gesteld, dat Christus de volheid van genade

en waarheid bezat; wel was Hij naar zijne menschelijke natuur niet

alwetend en almachtig, maar Hij had toch van het oogenblik zijner

*) Dorner, Entwicklungesch. I 374 v.

2) Loofs, Dogmengesch.4 303.

3) Damascenus, de fide orthod. III 17 v. Lombardus, Sent. III 9-17 en de commentatores op deze hoofdstukken. Thomas, S. Theol. III qu. 7—15. Bonaventura, Brevil. IV 5—10 enz.

Sluiten