Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

«inde toe vast kon houden. In beide staten was het een en hetzelfde subject, dat vernederd en verhoogd werd: niet alleen de menschelijke, maar ook de goddelijke natuur nam aan beide staten deel.

De Lutherschen stellen dit anders voor. Zij onderscheiden n.1. bij de vleeschwording tusschen twee, wel niet temporeel, maar toch logisch verschillende momenten, de incarnatio (assumptio carnis) en de exinanitio (conceptio in utero). De eerste heeft alleen den Logos aaagxog tot subject en bestaat in de aanneming van de, op zichzelve wel eindige en beperkte, maar met het oog op de unio personalis met majesteit bekleede en met goddelijke eigenschappen toegeruste menschelijke natuur. Doch de exinanitio, noodzakelijk voor het tot standbrengen onzer zaligheid, heeft den Logos s'vaa?xog tot subject, en bestaat in het afleggen (hetzij xgvipic volgens de Tubingers, hetzij xevaaig volgens de Giesseners) van het gebruik dier goddelijke eigenschappen 1). "W anneer deze onderscheiding eenige reëele beteekenis zou hebben, moest zij wel leiden tot de door sommige Anabaptisten getrokken consequentie, dat de menschwording, op zichzelve beschouwd, eene transcendente, metaphysische, eeuwige daad was. Natuurlijk kwamen de Lutherschen hiertegen ten sterkste in verzet, maar de onderscheiding van de twee momenten bij de vleeschwording bracht hen in een impasse, waaruit, blijkens den strijd der Tubingsche en Giessensche theologen, geen ontkomen was. Nu voerden de Gereformeerden onderling ook nog wel strijd over de vraag, of de menschwording op zichzelve al dan niet tot de vernedering behoorde. Maar deze strijd droeg een zuiver schoolsch karakter en had hoegenaamd geen invloed op de beschouwing van den feitelijken toestand der menschelijke natuur, welke Christus in zijne vleeschwording aannam. Alle Gereformeerde theologen verwierpen toch de Luthersche leer van de mededeeling van Goddelijke eigenschappen aan de menschelijke natuur, en dachten bij deze laatste altijd aan eene natuur, die zwak was, voor lijden en sterven vatbaar, ons in alles gelijk uitgenomen de zonde, en die eerst bij de opstanding verheerlijkt werd. Dientengevolge konden zij bij Jezus eene zuiver menschelijke en waarachtige ontwikkeling aannemen, gelijk Luk. 2:40, 52 deze onweersprekelijk leert, en konden zij ook erkennen, dat Christus met beide naturen subject der vernedering en der verhooging was. De aanneming der menschelijke natuur ging natuurlijk alleen van den Logos uit; van het èxtroioe in Phil.

l) Verg. boven bladz. 271.

Sluiten