Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

komen. Deze voorstelling is ook beslist te verwerpen. Want de Schrift getuigt herhaaldelijk, dat Hij in den beginne bij God en zelf God was, Joh. 1:1 v., 17 : 5, Rom. 8 : 3, 2 Cor. 8 : 9, Gal. 4 : 4, Phil. 2:9, Hebr. 1: 3 enz., en dat Hij reeds van eeuwigheid door den Vader tot profeet, priester en koning gezalfd en als zoodanig reeds in de dagen des Ouden Testaments en voorts ook tijdens zijne omwandeling op aarde werkzaam was, 2 Tim. 1: 9, Tit. 3 : 4, Hebr. 13:8, 1 Petr. 1:11, 20. Wat Christus dus in den staat der verhooging voor zichzelven ontving, kan niet bestaan hebben in de goddelijke natuur of den rang der Godheid, noch ook in het ambt van profeet, priester of koning, hetwelk op goddelijke verkiezing en aanstelling berust; maar het bestond in de verhooging zelve, in de opstanding, hemelvaart, zitting ter rechterhand Gods en wederkomst ten oordeele, of m. a. w. in de middelaarsheerlijkheid, waartoe Hij naar beide naturen verheven werd. Deze bezat Hij tevoren niet, maar verkreeg Hij eerst bij zijne verhooging; en deze verhooging was dus geen schijn, geen loutere manifestatie van wat Hij inwendig vroeger reeds was, maar een deelachtig worden van wat Hij in den staat der vernedering nog niet bezat, eene verhooging in objectieven en reëelen zin. Hierover waren alle Gereformeerden het eens, en zij wisten hiermede op den bodem der Schrift te staan ^ Immers, volgens Rom. 1 :3 is Christus xutcc accoxu, d. i. in den weg des vleesches, door geboorte uit eene vrouw, Gal. 4:4, geworden uit David; maar xutcc nvsvfxu dynaffvvrjg, krachtens den Geest der heiligheid, die in Hem woonde en Hem in heel zijn leven geleid had, werd Hij uit en door de opstanding krachtiglijk door God verordineerd en aangesteld, óqig&si?, cf. Hd. 17 : 31, als Zoon van God. Geboorte en opstanding staan hier tegenover elkander2). Door de geboorte werd Christus het zaad Davids, Rom. 9:5, nam Hij aan ouoiwucc oaoxog uuanziug, Rom. 8 :3, werd Hij zwak, 2 Cor. 13:4; maar door de opstanding werd Hij openlijk als Zone Gods aangesteld. Dat wil niet zeggen en kan niet beteekenen, dat Hij toen eerst de goddelijke natuur of den rang en den naam van God ontving, want het tegendeel blijkt uit Rom. 1:3, 8:3, 32, Gal. 4:4, enz.; maar terwijl Hij bij zijne menschwording de «oof//( iïtov met de dovkov verwisselde, Phil. 2 :9, ontving Hij nu

bij de opstanding die heerlijkheid, welke Hij naar zijne Godheid

') Verg. Voetius, Disp. II 277.

2) Bröse, Zur Auslegung von Röm. 1 : 3, Neue kirchl. Zeits. 1899 bi. 562—573.

Sluiten