Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

voor de dwaling, waarin de discipelen van den aanvang af bevangen waren. "Want dezen koesterden allen de vaste overtuiging, dat Christus met zijn gekruisigde en begraven lichaam wederom was opgestaan. Ten derde maakt zij van de Godheid van Christus geheel geen gewag, beschouwt Hem als een gewoon, zij het ook zedelijk verheven mensch, en leert dan feitelijk aangaande Jezus' verschijningen na zijn dood niets anders dan wat het spiritisme thans van tal van afgestorvenen mogelijk en werkelijk acht. Het Christelijk geloof wordt daarmede uit het bijgeloof, de zuivere religie uit de magie, de druif uit den doorn en de vijg uit den distel verklaard. Eindelijk hangt deze theorie ook nog samen met een wijsgeerig en godsdienstig dualisme tusschen geest en stof, met loochening van den dood als straf der zonde, met miskenning van de geestelijke beteekenis der lichamelijke opstanding. Hierover kan toch moeilijk twijfel bestaan, dat het feit der lichamelijke opstanding van Christus alles wat daarop rust, het ledige graf, het vaste geloof der discipelen, de overtuiging van de lichamelijke realiteit der opstanding enz. voldoende verklaart. Indien men ze dan toch verwerpt, moge men daarvoor steun zoeken in de afwijkende berichten, maar komt men hiertoe toch altijd krachtens eene werelden levensbeschouwing, welke lijnrecht staat tegenover die der H. Schrift. Men redeneert dan zoo: het dat staat vast, maar het hoe doet er niet toe; als Christus maar de levende Heer is, komt het er weinig of niet op aan, of Hij ook lichamelijk is opgestaan.

De Schrift gaat echter van eene gansch andere gedachte uit. Zij leert, dat hemel en aarde, geest en stof beide door God zijn geschapen ; dat het lichaam tot het wezen van den mensch behoort en op zijne wijze het beeld Gods vertoont; dat de dood een gevolg en straf der zonde is. En daarom komt voor haar alles aan op de lichamelijke opstanding van Christus; met het hoe staat het dat in het nauwste verband; als Christus niet lichamelijk is opgestaan, dan is de dood, dan is de zonde, dan is hij, die het geweld des doods had, niet overwonnen; dan heeft feitelijk niet Christus, maar Satan getriumfeerd. De beteekenis der lichamelijke opstanding van Christus is daarom volgens de Schrift onoverzienbaar rijk. Kort samengevat, is die opstanding: le een bewijs van Jezus' Messianiteit, eene kroning van den knecht des Heeren tot Christus en Heer, tot Levensvorst en Rechter, Hd. 2:36, 3:13, 14, 15, 5:31, 10:42 enz.; 2® een zegel van zijn eeuwig, goddelijk Zoonschap, Hd. 13 : 33, Rom. 1:3; 3° eene goddelijke goedkeuring van zijn middelaarswerk, eene ver-

Geref. Dogmatiek III. 32

Sluiten