Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

weest. Zij werden in dien tijd ingeleid in de gemeenschapsoefening met den wel levenden, maar tevens verheerlijkten Heer. Zij werden gewend aan de gedachte, dat Christus straks op eene andere wijze, in een andere fiogcprj, zou gaan bestaan en werken.

En met de verschijningen liet Jezus ook telkens zijn woord en onderwijs gepaard gaan. Nadat Hij geleden had, heeft Hij niet alleen zichzelven met vele gewisse kenteekenen, veertig dagen lang levende aan hen vertoond, maar Hij heeft ook tot hen gesproken van de dingen, die het koninkrijk Gods aangaan, Hd. 1: 3,10: 40—42,13 : 31. Al te dikwerf wordt dit onderwijs, dat Christus tusschen opstanding en hemelvaart aan zijne discipelen gaf, over het hoofd gezien, maar het verdient al onze opmerkzaamheid. Wie er niet mede rekent, doet eene klove gapen tusschen hetgeen Jezus zelf vóór zijn sterven leerde en hetgeen later door de apostelen verkondigd wordt. Dezen toch knoopen aan bij dat onderwijs, dat bepaaldelijk ook in de veertig dagen door Jezus aan zijne jongeren verstrekt werd. Jezus verscheen niet slechts aan zijne discipelen, om hen nu voorts aan hun eigen nadenken en redeneering over te laten, maar Hij heeft in die veertig dagen de beteekenis van zijn dood en opstanding, van zijn persoon en werk veel helderder voor hen in het licht gesteld, dan Hij het vroeger kon doen. Want vóór zijn dood en opstanding begrepen zijne discipelen Hem niet; ieder oogenblik miskenden zij zijne bedoelingen. Zij zouden het eerst na dezen verstaan. Maar toen Jezus gestorven en opgestaan was, zelf m eene andere gedaante aan hen verscheen en met hen sprak over de dingen van het koninkrijk Gods, toen leerden zij in die veertig dagen meer dan in de drie jaren, welke zij met Jezus hadden omgegaan: toen verstonden zij eerst de woorden, die Hij vroeger

tot hen gesproken had.

Allerbelangrijkst waren de dingen, waarin Jezus hen nu nader onderrichtte x). Zij betroffen, om in het kort het voornaamste te noemen, de noodzakelijkheid en de beteekenis van zijn lijden, Luk. 24 ■ 26 27, de verklaring van de profetieën des Ouden Testaments in het licht van hare vervulling, Luk. 24:27, 44-46, de heerlijkheid en macht, waartoe Hij nu verheven werd, Mt. 28:18, en de blijvende tegenwoordigheid in zijne gemeente, Mt. 28: 20, de toerusting van zijne apostelen tot het ambt hunner bediening, Mk. 16:17, 18,

i) R. Seeberg, Evangelium quadraginta dierum, Neue Kirchl. Zeits. 1905 b 335—531.

Sluiten